De avonturen van Rik en Rak


1 januari – nieuwjaarsdag

Rik wordt wakker. Het is nog donker. Zachtjes doet hij zijn nachtlampje aan om te kijken hoe laat het is. Het is al acht uur. Gisteren was het oudjaarsavond. Hij mocht wel tot negen uur opblijven. Maar ook dit jaar heeft hij het vuurwerk weer niet gezien. Blijkbaar konden papa en mama hem weer niet wakker krijgen. Hij neemt zicht voor om volgend jaar minder vast te slapen. Hij stapt uit bed en gaat naar de wc. Papa en mama zijn nog niet wakker. Hij loopt weer terug naar zijn kamer en pakt zijn doos met lego. Een uur lang bouwt hij aan zijn kasteel. Dan heeft hij dorst en loopt naar de badcel om wat water te drinken.

Een uur later worden zijn ouders wakker en gaan ze ontbijten. Mama bakt lekkere croissantjes met ham en kaas. Na het ontbijt gaan ze douchen en aankleden. Mama heeft nette kleren voor hem neergelegd omdat ze naar opa en oma gaan. Rik heeft er nu al zin in. “Mama, mag Rak ook mee?” Rak is Rik zijn hond. Het is een grote zwart met witte hond. Mama zegt dat ze zulke honden border collies noemen en dat ze gebruikt worden om schapen te hoeden. Rik weet niet zeker waarom schapen hoeden nodig hebben, maar denkt dat schapen wel veel last van de zon zullen hebben. Wat hij wel weet is dat Rak erg slim moet zijn als hij schapen hoeden kan geven.

Het is mooi weer dus ze gaan lopend naar opa en oma. Rik mag zijn fiets meenemen, omdat het best ver lopen is en zijn benen zijn nog niet zo lang als die van papa. Rak blijft thuis, want ze blijven niet zo lang en oma is een beetje bang van honden. Ze vindt Rak wel lief, maar ook wel erg groot. Rik is niet bang van honden en Rak is de liefste hond van allemaal. En zelfs als er eens een gemene hond is, dan heeft hij altijd Rak, of papa als Rak niet mee mag, om hem te beschermen.

De weg naar het dorp loopt een beetje naar beneden dus Rik kan lekker hard fietsen. Af en toe stopt hij even om te zien of papa en mama erg ver weg zijn. Mama vindt het niet leuk als hij te ver weg fietst. Als Rak meegaat dan mag Rik het hele eind alleen fietsen. Er zijn niet zo erg veel auto's op de weg tussen Rik's huis en opa en oma's huis. En ook niet zoveel straten die je moet oversteken. En Rak is heel erg goed in uitkijken dat er niets met Rik gebeurt.

Na tien minuutjes zijn ze bij opa en oma. Opa heeft oliebollen gebakken en oma schenkt koffie en limonade in. Nadat de limonade en oliebollen op zijn gaat Rik met de autootjes spelen. Na een half uurtje zegt oma dat het mooi weer is en dat Rik wel buiten kan spelen. Vrolijk huppelend loopt Rik door de tuin naar de poort en naar buiten. Hij vindt het wel jammer dat Rak niet mee is, want die weet altijd de leukste spelletjes. Ze spelen vaak tikkertje of vang-de-stok. Verstoppertje is ook altijd leuk, maar dan wint Rak altijd. Maar heel erg is het niet, want zonder Rak kan hij ook best spelen. Hij doet een tijdje lang alsof hij Robin Hood is die door de sheriff achtervolgd wordt omdat hij net een overval gepleegd heeft, maar dan vindt hij opeens een heleboel vuurwerk restanten op straat. Het ziet er eigenlijk best mooi uit. Van die mooie rode stokjes en rolletjes papier. Robin Hood is vergeten. Rik verzamelt een paar rode rolletjes en peutert ze open om te zien wat er in zit. Hij is best teleurgesteld als blijkt dat er niets in zit. Omdat hij weet dat hij het van mama toch niet mee naar huis mag nemen, verzamelt hij een hoop van de stokjes en rolletjes en besluit er een kunstwerk van te maken, zodat iedereen kan zien hoe mooi het is. Wat zal hij eens maken? Een huis? Nee, dat is niet mooi genoeg. Een hond? Nee, dat is te moeilijk. Een boom misschien? Ja, dat lijkt Rik een goed idee. Van de stokjes maakt hij de stam en de takken en van de rolletjes maakt hij de bladeren. Hij zoekt ook nog wat steentjes, zodat er appels aan de boom hangen. Hij is net klaar als papa aan komt lopen. “Kijk eens wat ik gemaakt heb, papa!” “Dat is best mooi, Rik. Maar spelen met vuurwerk is gevaarlijk. Soms is vuurwerk nog niet helemaal ontploft en dan kan het ontploffen als je er aan zit. En als dat gebeurt als je het in je handen hebt, kun je een hand kwijtraken.” Daar schrikt Rik wel van, dat wist hij niet. Hij belooft papa dat hij niet meer met vuurwerk zal spelen. Papa is gerustgesteld en stelt voor om terug naar opa en oma te gaan, waar nog een glas limonade voor hem klaarstaat voordat ze naar huis gaan.

Weer binnen bij opa en oma drinkt Rik zijn glas leeg en eet nog een oliebol. Als ze hun jas aandoen geeft opa Rik nog gauw een zak met oliebollen mee voor thuis. “Maar niet aan Rak voeren hoor,” zegt hij erbij, “die wordt er ziek van.” Rik belooft dat hij de oliebollen niet aan Rak zal voeren en dat hij ze met papa en mama zal delen. Zodra ze buiten komen zien ze Rak staan. “Rak! Hoe kom jij nou hier?” roept papa. “Nou ja,” zegt mama, “het maakt nu ook niet zo veel meer uit, we gaan nu toch naar huis.”

Daarna gaan ze weer naar huis, Rik fietsend met Rak rennend naast hem en papa en mama lopend.

Na de lunch spelen Rik en Rak de hele dag buiten. En na het avondeten valt Rik moe in bed.



2 januari – het sneeuwt

De volgende dag kijkt Rik 's ochtends uit het raam en ziet dat er een dun laagje sneeuw buiten ligt. “Sneeuw!” roept hij enthousiast, voordat hij bedenkt dat papa en mama nog in bed liggen. Hij twijfelt, zal hij ze gaan vertellen dat het gesneeuwd heeft, of zouden ze dan boos worden? Hij weet het niet. Zachtjes sluipt hij naar hun slaapkamer en gluurt naar binnen, papa slaapt nog, maar mama doet haar ogen open zodra hij om de hoek gluurt. “Mama, het heeft gesneeuwd!” fluistert hij enthousiast. Lachend om zijn enthousiasme stapt mama uit bed. “Echt waar?” Ze loopt om het bed heen en gluurt tussen de gordijnen door. “Je hebt helemaal gelijk. Het heeft gesneeuwd.” Samen lopen ze de trap af naar beneden. Terwijl mama beneden een kop thee zet en een broodje smeert begint het weer te sneeuwen. Rik heeft Rak uit zijn hok gehaald en samen kijken ze gefascineerd naar de sneeuwvlokken die uit de lucht vallen. Langzaam worden de vlokken steeds dikker en wordt de grond helemaal bedekt. Toen Rik net uit bed kwam smolt de sneeuw op de stenen nog, maar nadat hij zijn broodje op heeft en aangekleed is, is de hele wereld buiten wit.

Snel trekt Rik zijn laarzen en zijn wanten aan en doet een stap naar buiten. Na drie stappen kijkt hij om en ziet de sporen van zijn laarzen in de sneeuw staan, met daarnaast de sporen van Rak zijn poten. In de sporen van zijn laarzen is het nog steeds wit, de sneeuw is alleen maar aangedrukt. Maar de sporen van Rak zijn poten hebben de sneeuw helemaal weggesmolten. “Wat een warme poten heb jij, Rak!” Rak rent rondjes om hem heen en smelt zo een cirkel in de sneeuw. Dat brengt Rik op een idee. “We kunnen in de sneeuw tekenen. Volg mij, Rak!”

Zo tekenen Rik en Rak samen een vierkant in de sneeuw en een ster, en nog een cirkel. Daarna probeert Rik een huis te stappen in de sneeuw. Eerst maakt hij een vierkant, daarbovenop maakt hij een driehoek voor het dak. In de driehoek stapt hij een klein vierkantje, dat is het dakraam. In het vierkant maakt hij drie kleinere vierkantjes voor de ramen en een rechthoek voor de deur. Over de zijmuur van het huis loopt hij terug naar het dak en maakt nog een rechthoek voor de schoorsteen. Daarna springt hij met een grote sprong bij het huis weg. “Kijk eens wat ik gemaakt heb, mama!” Mama kijkt uit het raam. “Een huis, wat knap van je!” In de tussentijd is papa ook wakker geworden en opgestaan en ook hij komt kijken om de tekening te bewonderen. “Goed hoor, zo mooi kan ik niet tekenen!”

Rik weet niet meer wat hij nog meer tekenen kan. Het sneeuwt nog steeds. Rak weet ook niet wat ze nog meer kunnen tekenen, maar vindt de vallende sneeuwvlokken wel interessant. Hij hapt ernaar. Rik probeert ook om de sneeuwvlokken op te happen voordat ze vallen. Ze doen een spelletje wie de meeste sneeuwvlokken te pakken kan krijgen. Rak is er beter in dan Rik, maar Rik leert snel. Samen rennen en springen ze door de sneeuw. Rik krijgt wel honderd sneeuwvlokken te pakken, maar Rak vangt er wel duizend. Hij is dan ook veel leniger en sneller dan Rik. Dan roept mama hen binnen voor de lunch. Rik zit helemaal onder de sneeuw. Rak niet, die is alleen maar nat. Mama schudt Rik zijn jas en broek uit en droogt Rak af nadat die zich buiten uitgeschud heeft. Rak weet inmiddels dat hij zich binnen niet uit mag schudden. Na de lunch krijgen ze van mama nog een warme kop thee en gaan ze weer naar buiten. De tekeningen en hun voetsporen zijn al weer bijna dichtgesneeuwd, maar nog steeds goed te zien. Mama heeft verteld dat de vogels en de andere dieren ook sporen achterlaten in de sneeuw, en Rik heeft besloten die te gaan zoeken. Buiten de tuin loopt een slootje waar normaal eenden zwemmen. Naast de sloot vinden ze in het gras inderdaad sporen van eendenpoten. Eendenpoten zijn bijna driehoekig en ze laten dus ook allemaal driehoekige sporen achter in de sneeuw. Rak zijn sporen bestaan uit een aantal rondjes met bovenaan de rondjes kleine prikjes van zijn nagels. Ze vinden ook sporen van de kat, die wel een beetje op die van Rak lijken, maar dan veel kleiner en zonder de prikjes van de nagels. Het volgende spoor dat ze vinden is bij de voedertafel van de buurman, daar vinden ze sporen van de musjes, die wel een beetje op sterretjes lijken. Het zijn drie streepjes die een beetje naar voren wijzen en een streepje dat naar achteren wijst. Die dag vinden ze nog veel meer vogelsporen, maar die lijken eigenlijk allemaal op de sporen van de musjes, alleen dan groter.

Het gaat steeds harder en harder sneeuwen totdat ze eigenlijk niet zo goed meer kunnen zien waar ze zijn en hoe ze weer terug naar huis moeten. Ze proberen hun eigen sporen in de sneeuw terug naar huis te volgen, maar zelfs die houden na vijf meter op, omdat ze alweer dichtgesneeuwd zijn. Gelukkig heeft Rak een goede neus en al snuffelend naar hun eigen sporen brengt hij hun weer thuis. Mama is erg blij, want ze begon zich al een beetje zorgen te maken. Rik krijgt een grote beker chocolademelk om weer warm te worden en Rak gaat lekker warm in zijn mand liggen. Papa zegt dat hij op de thermometer gezien heeft dat het al flink vriest buiten en dat als dat zo door gaat dat ze al snel op het ijs kunnen schaatsen. Rik heeft nog nooit geschaatst en is dus best nieuwsgierig hoe dat gaat. Papa probeert het uit te leggen, maar Rik snapt het nog niet helemaal. Hij hoopt dus maar dat het ijs snel stevig genoeg is om het uit te proberen. De rest van de dag speelt hij met zijn lego totdat hij naar bed moet, want buiten sneeuwt het nog steeds zo hard dat hij van mama niet meer naar buiten mag..

3 januari – sneeuwballen gooien

Vandaag komt de kleinzoon van de buurman logeren bij de buurman. Rik heeft hem wel vaker ontmoet en heeft wel zin om met hem te spelen. Hij heet Hans en is net zo oud als Rik. De buurman heeft vertelt dat hij om ongeveer tien uur komt. Dus zit Rik om tien uur samen met Rak bij de buurman. Omdat er zoveel sneeuw ligt denkt de buurman dat het wel wat later kan worden en hij schenkt voor Rik alvast een glaasje limonade in. Om kwart over tien komt er een auto aangereden, die inderdaad stopt en Hans komt uit de auto gesprongen. Zijn ouders lopen mee om nog een koptje koffie te drinken voordat ze weer naar huis gaan. Hans krijgt ook een glas limonade en zodra hij het op heeft, rennen Rik, Rak en Hans naar buiten.
“Sneeuwt het bij jou thuis ook zo?” vraagt Rik, “Het sneeuwde gisteren zo hard dat ik de weg naar huis bijna niet meer vinden kon!” Hans zegt dat hij bij hem thuis ook zo sneeuwt en dat ze een sneeuwballengevecht gehouden hadden. Dat vindt Rik ook wel een goed idee en ze beginnen een voorraadje sneeuwballen te maken, ieder in een andere hoek van de tuin. Toen ze ieder een grote voorraad sneeuwballen hadden, spraken ze af vanwaar ze mochten gooien. Iedere bal die raak was was een punt en wie aan het einde van de ballen de meeste punten had, die had gewonnen. Zo snel ze maar konden gooiden ze de ballen op elkaar af, maar ze konden geen van beide echt goed gooien, en Rak vond al die rondvliegende ballen ook wel leuk en probeerde ze te vangen. Hij was een stuk beter in vangen dan dat Rik en Hans gooien konden, dus ze raakten elkaar geen van beiden. Rik vond het wel leuk dat Rak de ballen opving, maar Hans werd boos en begon op Rak te gooien. Daar werd Rik weer boos om en hij verliet zijn hoek van de tuin en gooide van veel dichterbij op Hans. Het werd een echt sneeuwgevecht totdat de buurman hen binnenriep omdat Hans zijn ouders weggingen. Het vooruitzicht op warme chocolademelk deed Rik en Hans hun gevecht vergeten en als vriendjes gingen ze weer naar binnen. Bij de chocolademelk kregen ze ook nog een warme oliebol die zo onder de poedersuiker zat dat het wel een sneeuwbal leek. Hans en Rik moesten er om lachen.

Nadat Hans zijn ouders weg waren gingen de jongens weer naar buiten om sneeuwballen tegen de schuur te gooien. Met wat stoepkrijt tekende de buurman een aantal cirkels in elkaar op de schuur. De binnenste cirkel was de meeste punten waard en de buitenste cirkel de minste punten. Om beurten gooiden ze de ballen tegen de muur. Op een gegeven moment besloot Rak dat hij zich verveelde en probeerde een bal op zijn snuit te balanceren om die tegen de muur te gooien. Omdat hij het niet zo goed voor elkaar kreeg om de sneeuwbal op zijn snuit te krijgen, raakte hij de muur maar net en kwam helemaal niet in de buurt van de roos, zoals de buurman de cirkels noemde. Maar Rik en Hans waren toch heel erg onder de indruk. Daarna hielpen ze hem door de ballen op zijn snuit te leggen, zodat hij ze makkelijker gooien kon. Aan het eind van de dag was Rak de beste sneeuwballengooier van hen alledrie en had hij de meeste punten. Als enige had hij de middelste cirkel een keer geraakt. Hans zei tegen Rik dat hij wenste dat hij ook zo'n slimme hond had. Vlak voordat ze allebei naar binnen geroepen werden stelde Hans voor om de volgende dag een echt sneeuwfort te bouwen. Dat vond Rik wel een goed idee en ze spraken af om er meteen 's ochtends al mee te beginnen.

's Avonds aan tafel vertelde Rik over het sneeuwbalgevecht en dat Rak de beste sneeuwballengooier was van allemaal. Zijn ouders geloofden hem niet echt en dus gingen ze na het eten met zijn allen de tuin in om nog een keer te laten zien dat Rak echt goed was in het gooien van sneeuwballen. Rik maakte een paar sneeuwballen en legde die een voor een op Rak zijn snuit. Vervolgens gooide Rak ze niet tegen de muur, maar tegen papa en mama aan! Mama slaakte zelfs een gilletje van de schrik en rende snel naar binnen. Papa daarentegen maakte snel een eigen sneeuwbal en gooide die naar Rak. Rak ving hem netjes uit de lucht. Intussentijd was papa al begonnen aan een tweede bal en terwijl Rik nog stond te lachen om de slimme Rak gooide papa de sneeuwbal naar Rik. Poef, midden op zijn buik. En zo begon al weer een sneeuwballengevecht. Toen ze weer binnen kwamen zaten ze alledrie onder de sneeuw.

Papa en mama moesten toegeven dat Rak echt een slimme hond was en gaven hem een lekker bot om op te kluiven. Rik kreeg nog een kop warme chocolademelk en papa keek heel zielig toen hij niet kreeg. Mama kreeg medelijden en maakte voor papa een lekkere kop koffie met een koekje. Natuurlijk kreeg Rik ook een koekje Maar daarna was het weer tijd om naar bed te gaan.

4 januari – het sneeuwfort

Hans staat al vroeg voor de deur om aan het fort te beginnen. Mama geeft Rik een vierkante afwasteil mee om bouwstenen mee te maken. Hans heeft een schep meegenomen en samen scheppen ze de teil vol met sneeuw en stampen het goed aan. Als de teil vol is bedenken ze zich dat ze nog helemaal niet nagedacht hebben waar ze het fort willen bouwen. Samen kijken ze rond. Het kan in de tuin op het gras, of buiten de poort naast de weg. Het zou ook nog bij de buurman op het erf kunnen. Verderop begint Rak te blaffen. Hij staat onder een appelboom waar een mooi stukje vlak gras onder ligt. Enthousiast slepen ze de teil vol sneeuw naar de boom. Net voordat Rik de teil om wil kieperen zegt Hans dat ze eerst de sneeuw nog aan moeten stampen zodat ze een mooie stevige vloer krijgen. Met zijn drieen beginnen ze de vloer aan te stampen, maar onder Rak zijn poten smelt de sneeuw steeds en dus sturen ze hem weg om een eindje verderop de sneeuw aan te stampen. Na een kwartiertje is er een flink stuk van de grond om de boom heen aangestampt. De eerste steen leggen ze op een metertje afstand van de appelboom tussen de boom en de weg verderop. Snel scheppen ze de teil weer vol en leggen de tweede steen naast de eerste. Deze komt er niet zo mooi uit en met hun handen halen ze de laatste beetjes sneeuw uit de teil en plakken die aan de steen vast zodat die ook bijna vierkant is. Hans schept de teil nog een keer vol terwijl Rik sneeuw tussen de twee stenen propt. Ze leggen vijf stenen naast elkaar en gaan dan de bocht om. Zo maken ze een u-vorm van 11 stenen, vijf stenen op een rijtje met aan beide kanten een zijmuurtje van drie stenen. Dan leggen ze de volgende steen bovenop het muurtje. Netjes op het midden van een spleet, net zoals ze met de lego altijd doen om een stevige muur te krijgen. Bij de hoekje is het wel even lastig, omdat ze natuurlijk geen halve stenen hebben. Maar ze vullen de gaten gewoon met de hand op. Dat is niet zo mooi, maar het werkt wel. Ze werken hard door en vlak voor het middageten hebben ze al een aardig muurtje van vier stenen hoog. Mama heeft gezien dat ze hard bezig zijn en komt twee stoeltjes en wat broodjes brengen zodat ze in hun fort kunnen eten. Mama vind het zelf veel te koud en laat de jongens in het fort achter. Als hongerige wolven vallen ze op het brood aan en geven Rak ook een paar stukjes. Dat mag eigenlijk wel niet, maar er zit leverworst op het brood, dus het is niet zo heel erg. En Rak heeft ook honger. Het brood is al snel op en de jongens gaan meteen weer verder. Ze moeten nu wat verder weg van hun fort om sneeuw te verzamelen, maar Rak is erg goed in het vinden van grote bergen sneeuw die ze kunnen gebruiken. Als het muurtje tot hun schouders komt, besluiten ze het fort helemaal rondom de boom te bouwen. Ze laten een smalle opening open aan de achterkant zodat ze er nog in kunnen. Om het fort nog meer op een fort te laten lijken maken ze ook nog kantelen op de muren door twee blokken boven op elkaar te leggen. Om er bij te kunnen moeten ze op de stoeltjes staan, want de kantelen steken boven hun hoofd uit. Vlak voor het avondeten zijn ze klaar. Papa en mama en de buurman komen nog even kijken hoe goed het fort gelukt is, maar dan moeten ze naar binnen om te eten. Eigenlijk willen ze 's avonds nog terug om in het fort te spelen, maar dat mag niet omdat het dan te koud is. Die avond maakt Rik tekeningen van de oorlogen tegen de ijsmonsters die in het fort zijn gevoerd. Hij tekent eerst de boom en dan het fort er om heen. Daarna tekent hij de soldaten op de muren en vervolgens de ijsmonsters en hun katapulten er om heen. Hij vertelt Rak het verhaal dat er bij hoort over hoe de ijsmonsters jaloers waren op het mooie fort en het voor zichzelf wilden hebben. “Alleen de stoere ridders Hans en Rik en hun trouwe hond Rak waren dapper genoeg om het te beschermen.” Maar op het moment dat hij hond zegt schudt Rak zijn hoofd en gromt. “Wat is er Rak, wil je niet in het verhaal?” Rak schudt zijn hoofd. “Hmm, wel in het verhaal. Maar wat is er dan?” Rak kijkt heel zielig. “Oh, je wilt ook stoer zijn? Maar honden waren geen ridders. Ze waren wel heel dapper, maar geen ridders. Wat wil je dan zijn? Een stoer strijdros? Hmm, nee ook niet. Wat dan? Een draak?” Rak knikt woest met zijn kop. “Een draak? Maar ridders streden altijd tegen draken! Nou ja, er waren vast ook wel goede draken. Goed, de stoere ridders Hans en Rik en hun trouwe draak Rak dus. Die verdedigden het fort dus tegen de ijsdraken. Rak wilde eigenlijk vuur spuwen, maar het fort was van ijs en dat zou dan ook smelten. En dus gebruikten ze hun katapulten om sneeuwballen naar de ijsmonsters te gooien. Maar de ijsmonsters waren van ijs en dus konden ze tegen de sneeuwballen. De ijsmonsters gebruikten stenen om de muren en de ridders te bekogelen, maar de muren waren van stevig ijs en gingen niet stuk. En dus ging het gevecht maar door net zolang tot de sneeuwballen en stenen op waren. Toen bedacht ridder Rik dat ze konden proberen om de stenen te gebruiken om de ijsmonsters te bekogelen. De ijsmonsters zagen er minder stevig uit dan de muren van het fort. En zo bekogelden ze de ijsmonsters met stenen, net zolang tot de ijsmonsters in duizend stukjes voor de muren lagen. Toen ging draak Rak de poort uit en blies vuur over de ijsmonsterstukjes tot er helemaal niets meer van over was. En toen leefden ze nog lang en gelukkig.” Rak knikte om aan te geven dat hij het een mooi verhaal vond. Mama had ook geluisterd en zei hem dat het een mooi verhaal was, maar dat hij nu echt naar bed moest, zodat hij morgen weer fijn met het fort kon spelen.

5 januari – sleetje rijden

Die nacht was er nog veel meer sneeuw gevallen. Na het ontbijt ging Rik meteen naar buiten om naar het fort te kijken. Dat was goed aan elkaar gevroren en was nu nog steviger dan het al was. Tussen de kantelen was een laagje sneeuw gevallen, maar dat was makkelijk weer weg te halen. Al snel kwam Hans ook weer buiten en Rik vertelde hem het verhaal dat hij aan Rak had verteld. Hans vond het een mooi verhaal en ze gingen snel aan het werk om een flinke voorraad sneeuwballen te maken voor het geval de ijsmonsters langs zouden komen. Rik zei dat ze beter stenen konden zoeken, maar Hans vond dat de monsters die al meenamen en dat ze dus best met sneeuwballen konden beginnen. Stenen zoeken onder de sneeuw zou niet makkelijk zijn. En dus maakten ze een grote stapel sneeuwballen. Maar toen ze er eentje wilden gooien om te kijken of het werkte, ontdekten ze dat de muren te hoog waren en dat ze de ijsmonsters dus niet zouden kunnen zien. Zelfs op de stoeltjes konden ze niet makkelijk over de muren heenkijken. Hans kwam op het idee om een trapje te maken waar ze op konden staan, zodat ze er wel overheen konden kijken. Ze haalden het teiltje weer op uit de schuur en gingen aan de slag. In elke hoek maakten ze een platform van vier sneeuwblokken en daarbovenop legden ze in het midden een sneeuwblok. De ruimte tussen het bovenste blok en de muren vulden ze op met nog meer sneeuw en uiteindelijk legden ze nog een blok in het hoekje tegen de muur aan. Als ze daarop gingen staan konden ze makkelijk over de muur kijken. Vlak voor de lunch waren de vier trapjes klaar.

Na de lunch kwam Hans aangerend met een slee die de buurman van zolder had gehaald. Meteen was het fort vergeten en gingen ze op zoek naar een geschikte helling om vanaf te kunnen sleeen. Terwijl ze zochten nam Rak het touw tussen zijn kaken en ging er met de slee vandoor. Rik en Hans renden achter hem aan. Al snel hadden ze hem ingehaald, het leek wel of Rak wilde dat ze hem konden pakken. Normaal kon Rik hem niet bijhouden. Toen ze Rak te pakken hadden keek hij veelbetekenend naar de slee. Rik en Hans keken elkaar aan en gingen toen joelend op de slee zitten. Rak nam het touw nog eens goed tussen zijn tanden en zette zijn volle gewicht in de strijd om de slee in beweging te krijgen. In het begin ging het nog niet zo snel, maar naarmate de slee vaart kreeg ging het steeds sneller. Al snel rende Rak voor de slee uit. Rik en Hans schreeuwden het uit van pret. Rak was slim genoeg om rondjes te blijven rennen op de plaatsen waar het vlak was. Na een kwartiertje werd Rak toch wel moe en dus liet hij het touw los en sprong snel opzij. De jongens schoten nog een aardig stuk door, maar kwamen veilig op het grasveld tot stilstand. Lachend sprongen de jongens van de slee af en renden op de hijgende Rak af. Maar nog voor ze hem konden bereiken had Rak bedacht dat hij ook wel eens op de slee wilde zitten en hij sprong er op af. Toen hij vol verwachting bovenop de slee ging zitten gierden de jongens van het lachen en pakten samen het touw vast. Ze konden niet zo hard rennen als Rak, maar dat was maar goed ook, want Rak kon zich natuurlijk niet zo goed vasthouden. Toen ze met de slee langs het huis kwamen kwam mama lachend naar buiten. “Kijk eens mama, Rak kan ook op de slee!” riep Rik naar haar, “Is het geen slimme hond?”

Ja hoor Rik, het is een heel slimme hond.”

Rik en Hans trokken de slee steeds verder bij huis vandaan op weg naar een heuvel verderop. Daar trokken ze de slee een eindje de heuvel en gingen vervolgens een voor een weer naar beneden. Zelfs Rak wilde het een keer proberen. Maar de slee ging voor hem toch te snel en hij viel er af. Rollend door de sneeuw gleed hij de heuvel af achter de slee aan. Zachtjes jankend bleef hij onder aan de heuvel liggen. Geschrokken renden Rik en Hans naar Rak toe om te kijken of alles in orde was. Maar Rak was alleen geschrokken en nadat de jongens hem een tijdje zachtjes geaaid hadden sprong hij al snel weer om de jongens heen. Hij wilde nu niet meer op de slee, maar rende wel met de jongens mee naar beneden. Om beurten trokken ze de slee omhoog en gleden weer naar beneden. Toen het begon te schemeren gleed Rik nog een laatste keer naar beneden. Beneden aangekomen stapte hij van de slee af en zei tegen Rak dat hij wel op de slee mocht zitten nu ze over de weg weer naar huis terug gingen. Enthousiast sprong Rak op de slee en Hans en Rik trokken die naar huis. Toen ze bij Rik thuiskwamen waren ze best moe en ook wel een beetje koud geworden. Gelukkig had mama warme chocolademelk gemaakt, waaraan ze zich snel weer op konden warmen. Toen de chocolademelk op was ging Hans met de slee weer terug naar zijn opa. Rik zwaaide hem door het raam na. “Tot morgen Hans!” Riep hij. Rak blafte een keer, maar niet te hard, want dat vond mama niet goed. Die avond vertelde Rik over alle avonturen die hij samen met Rak en Hans beleefd had. Omdat het zondagavond was, moest Rik op tijd naar bed, want morgen begon school weer. Rik vond het wel jammer dat de vakantie voorbij was, maar op school was het ook altijd leuk. Hij was heel benieuwd wat ze allemaal gingen doen, vooral nu er sneeuw op het schoolplein lag.

6 januari – sneeuw op school

De eerste dag in het nieuwe jaar waarop Rik weer naar school moet, kleedt mama Rik lekker warm aan. Er ligt nog steeds sneeuw, dus Rik weet wel bijna zeker dat ze lekker in de sneeuw gaan spelen. Hij krijgt een muts over zijn oren en een sjaal om zijn nek. Een lekker dikker winterjas, zijn laarzen en zijn wanten en hij is er helemaal klaar voor. Mama loopt samen met hem naar het dorp. Rak mag ook mee. “Mama, kan Rak me niet naar school brengen?” vraagt Rik. Mama trekt een sip gezicht, “Vindt je mij niet lief meer dan?” Rik schrikt, “natuurlijk wel! Maar jij bent altijd zo druk, dat ik dacht...” Mama moet lachen, “ik maakte maar een grapje hoor. Ik vind het lief van je dat je mij probeert te helpen, maar ik vind het altijd wel leuk om even naar het dorp te lopen. Vaak doe ik meteen even een boodschapje. Maar ik zal het er vanavond met papa over hebben. Rak is een hele slimme hond en je wordt al bijna zes.”

Dan zijn ze bij school en Rik neemt afscheid van Rak en mama. “Dag mama, dag Rak!” Vrolijk huppelt hij het schoolplein op.

Op het schoolplein groet hij al zijn vriendjes. Bram heeft al een sneeuwbal in zijn handen, maar voordat hij die kan gooien gaat de schoolbel al. Hij laat de sneeuwbal vallen en met zijn allen rennen ze naar binnen. Binnen hebben ze eerst een kringgesprek om te vertellen over wat ze in de vakantie hebben gedaan. Sommige kinderen vertellen over de skivakantie die ze hebben gehad, anderen zijn met hun ouders naar de zon gereisd, maar de meeste kinderen zijn net als Rik thuisgebleven en hebben woeste verhalen over wat ze allemaal in de sneeuw hebben gedaan. Rik vertelt het verhaal over hoe hij samen met Rak en Hans de ijsmonsters heeft verslagen en laat ook zijn tekening zien. De andere kinderen vinden het een mooi verhaal. Als alle kinderen hun verhaal verteld hebben, zegt de juffrouw dat ze buiten een sneeuwpop gaan maken. Voordat ze naar buiten gaan vertelt ze eerst hoe het werkt. Je maakt eerst een sneeuwbal en rolt die dan door de sneeuw. De bal wordt dan steeds groter en groter. Zo maak je drie ballen die je boven op elkaar zet. Als dat gebeurt is, dan krijg je van de juf een handvol steentjes, twee takken en een wortel. Daarmee kun je de armen en het gezicht maken Ze moeten in groepjes van drie werken, anders zijn er niet genoeg steentjes en takken. Rik zit in het groepje van Bram en Marieke. Marieke is niet echt blij dat ze met twee jongens in het groepje moet, maar de juf weigert om de groepjes anders in te delen. En dus lopen ze een beetje mopperend naar buiten. Maar eenmaal buiten zijn ze het al snel weer vergeten en gaan ze druk aan de slag om de grootste en mooiste sneeuwpop van allemaal te maken. Bram en Rik hebben al snel hele grote sneeuwballen. Die van Marieke is een beetje kleiner, maar dat geeft niet, want die wordt dan het hoofd. Bram is sterker dan Rik en heeft de grootste sneeuwbal, dus die komt onderop. Rik zijn sneeuwbal is al zo groot dat ze hem samen op moeten tillen om het bovenop Bram zijn bal te zetten. Bram en Rik houden de bal samen op zijn plek terwijl Marieke er snel wat sneeuw tussen stopt zodat hij er niet meer afrolt. Want dat hadden ze bij een ander groepje gezien. Die hadden er geen sneeuw tussengestopt en toen rolde de bovenste bal er zo van af. En toen viel die in duizend stukjes sneeuw uit elkaar. Als de tweede bal stevig vastzit, zetten ze Marieke haar bal er bovenop. Dat is niet makkelijk, want de sneeuwpop is nu al bijna net zo groot als Rik zelf is. Maar uiteindelijk lukt het toch en als Marieke het hoofd vastgezet heeft, is het al best een mooie sneeuwpop. Dan komt de juffrouw er aan met de steentjes en de takken. Voorzichtig steekt Rik de takken die de armen moeten voorstellen in de middelste bol. Marieke maakt een mond en ogen van steentjes en Bram steekt de wortel als neus midden tussen de mond en de ogen. Marieke zegt dat de sneeuwman er maar koud uitziet en Bram doet zijn sjaal af en bindt die om de nek heen. Het resultaat ziet er heel mooi uit. Omdat nog niet iedereen klaar is, gaan ze op zoek naar korte takjes in de bosjes om het schoolplein heen die ze als haren in het hoofd kunnen steken. Bram blijft bij de sneeuwman, omdat hij bang is dat iemand anders de man stukmaakt. Vlak voor de lunch is iedereen zo'n beetje klaar. De pop van Rik zijn groepje is niet de grootste, want er was een groepje van wat grotere kinderen die hem net iets groter hebben gemaakt, maar met Bram zijn sjaal is de pop wel de mooiste. Dan worden de kinderen weer door hun ouders opgehaald om thuis te gaan eten. Voordat ze naar huis gaan neemt Rik mama nog even mee het schoolplein op om naar de sneeuwpop te kijken. Mama vindt de pop zo mooi dat ze er met haar mobiele telefoon een foto van maakt zodat papa de sneeuwman ook kan zien.

Na de lunch brengt mama Rik weer naar school. Op school doen ze wat spelletjes en leren ze een nieuw liedje over de winter. Al heel snel is de dag weer over en gaat Rik weer naar huis. 's Avonds laten ze de foto aan papa zien, die zegt dat hij het de mooiste sneeuwpop vindt die hij ooit gezien heeft. Hij vertelt ook over het nieuwe liedje, maar kan zich nog niet de hele tekst herinneren. En zo gaat hij half zingend en moe weer naar bed.

7 januari – een papieren sneeuwpop

Op het schoolplein zingen een aantal meisjes het liedje van de winter dat ze gisteren geleerd hebben. Rik gaat er bij staan om te horen hoe het liedje ook al weer ging.

“Het sneeuwt, het sneeuwt
Ik kijk door de ruiten
Ik wil naar buiten
Sneeuwballen gooien
En een sneeuwpop rollen
Lekker door de sneeuw heen hollen

Het vriest, het vriest
De kou is te snijden
Ik wil gaan glijden
Sleeen en rijden
Op bevroren plassen
Met mijn schaatsen
Hoor ze krassen

Winter, winter, blijf nog even
Met je sneeuw en ijs en kou
Want ik speel zo graag met jou”

Ja zo ging het liedje. Al snel zingt Rik met de meisjes mee. Maar dan komt Bram en gooit een sneeuwbal in zijn nek. “Liedjes zingen is voor meisjes joh.” “Welnee,” zegt Rik, “zelfs papa zingt wel eens een liedje, en die is echt geen meisje. En bovendien hoor ik heel vaak op de radio liedjes die door een man gezongen zijn. Jij durft gewoon niet! Je bent zeker bang dat je vals zingt!” “Echt niet,” zegt Bram. En om het te bewijzen zingt hij het liedje heel hard mee. Omdat hij zo hard zingt klinkt het niet echt mooi, maar hij zingt wel. Dan gaat de bel weer en moeten ze naar binnen. De juffrouw vertelt dat ze vandaag weer sneeuwpoppen gaan maken, maar dan van papier, zodat ook als de sneeuw straks smelt de hele klas nog mooi winters is. De juf deelt witte blaadjes uit met daarop drie rondjes. De rondjes moeten ze uitknippen met een schaar. “Ik wil de blauwe schaar!” roept Bram. Blauw is zijn lievelingskleur. Rik kiest een groene schaar. Met het puntje van zijn tong tussen zijn lippen knipt hij voorzichtig de drie cirkels uit. Hij kan al best goed op de lijntjes knippen. Bram niet, die is te ongeduldig. Zijn rondjes zijn niet zo mooi rond, maar dat geeft niet, vindt hij zelf. Rik zegt niets, maar vindt zijn eigen rondjes stiekem veel mooier. Als de rondjes uitgeknipt zijn mogen ze die met de lijm aan elkaar vast plakken, de grootste onderaan en de kleinste bovenaan. Het begint al op een echte sneeuwpop te lijken. Van zwart papier mogen ze een hoed knipen. Het voorbeeld van de juf heeft een mooie hoge hoed en Rik doet hard zijn best om er ook zo een te maken. De hoge hoed bestaat uit een vierkant en een rechthoek die aan elkaar geplakt zijn. Bij het plakken komt het vierkant een beetje scheef op de rechthoek te zitten, maar de juf zegt dat dat niet erg is en dat het er best mooi uit ziet. “Een echte sneeuwman krijgt ook altijd een oude hoed en niet een mooie nieuwe.” Rik plakt de hoed dus toch maar op zijn sneeuwman. Uit het zwarte papier moeten ze ook ogen en een mond knippen. Bram knipt voor de mond een halve maan uit het papier, maar Rik knipt allemaal kleine rondjes. Omdat er geen cirkels op het zwarte papier getekend zijn worden ze niet zo mooi rond, maar stenen of kooltjes zijn ook nooit helemaal rond. Voor de neus krijgen ze stickertjes die op een wortel lijken. Bram plakt de neus met de punt omhoog. Rik kiest ervoor om de neus opzij te laten wijzen.”Het enige wat nu nog mist zijn armen, juf,” zegt Marieke als ze klaar is. De juf haar sneeuwpop heeft geen armen. Marieke vindt het maar zielig en knipt zwarte reepjes en plakt die aan de sneeuwman als armen. Rik vindt dat een goed idee en doet het na. “Hee, naaper, dat had ik bedacht!” roept Marieke boos. “Maar ik vond het een goed idee,” zegt Rik een beetje sip. Hij wilde niet dat Marieke boos zou worden. Om toch niet helemaal hetzelfde te doen, knipt hij voor elke arm nog twee kleinere strookjes uit het zwarte papier en plakt die als vingers aan het strookje dat de arm is. “Zo beter? Nu is het niet meer hetzelfde. En als je wilt mag je mij ook nadoen, dan staan we weer gelijk.” Marieke vindt dat een goed idee en maakt er ook gauw vingers aan.

Als iedereen klaar is, hangt de juf alle sneeuwpoppen voor het raam. Zo begint de klas er van binnen net zo winters uit te zien als buiten op het schoolplein.

Na de lunch zingen ze het liedje nog een keer, want Rik was niet de enige die het al weer een beetje vergeten was. Daarna mogen ze zelf kiezen in welke hoek ze willen spelen. Rik kiest voor de puzzelhoek. Bram kiest voor de legohoek en Marieke voor de poppenhoek. Erik en Lieke kiezen ook voor de puzzelhoek en met zijn drieen storten ze zich op de moeilijkste puzzel die er is. Een puzzel met wel honderd stukjes. Ze zijn bijna de hele middag bezig om de puzzel af te maken. Op de puzzel staat een plaatje van beren die aan het picknicken zijn. Er is een beer met een hoedje op die thee drinkt, en een beer die een handstand doet. Er is ook een beer die probeert alle taartjes in zijn eentje op te eten. Hij heeft allemaal chocolade op zijn snuit. Midden op de puzzel staat een groot kleed met allemaal lekkere dingen er op, zoals potten met thee, taartjes, koekjes, fruit en snoepjes. Als ze de puzzel afhebben hebben ze nog net genoeg tijd om de puzzel ook weer op te ruimen voordat de bel gaat. Als mama Rik komt halen met Rak, vertelt hij alles wat er op de puzzel stond. Thuis haalt mama ook een puzzel van zolder af. Het is een hele grote puzzel, maar ook met grote stukken, dus hij is toch nog snel klaar. Dus na het eten gaat Rik samen met Rak met de lego spelen.

8 januari – Gymles

Als iedereen op zijn plek zit, vertelt de juf dat ze vandaag een nieuw spel gaan leren tijdens de gymles. Snel staan alle kinderen op en rennen bijna naar de kapstok om hun gumspullen te pakken. Zodra iedereen zijn jas aanheeft en zijn rugzak op zijn rug heeft gedaan gaan de kinderen twee aan twee staan. Zodra de juf en de oversteekmoeder ook klaar zijn, vertrekken ze. Het is niet ver lopen naar de gymzaal, maar ze moeten wel een paar keer oversteken. Iedere keer als ze over moeten steken verzamelt de juf eerst alle kinderen, kijkt dan of er niets aan komt en gaat samen met de oversteekmoeder midden op de weg staan. Dan moeten alle kinderen tussen hen door lopen naar de overkant. Als de laatste kinderen overgestoken zijn komen de juf en de oversteekmoeder ook mee. Rik vindt de oranje vestjes die de juf en de oversteekmoeder aan hebben best wel mooi.

Bij de gymzaal doet de juf de deur open en rennen de kinderen naar de kleedkamer. Rik is nooit de eerste die omgekleed is, want hij heeft soms wat moeite met de veters van zijn schoenen. Gelukkig hebben zijn gymschoenen klittenband. Maar hij is ook nooit de laatste. Vandaag is hij zelfs de tweede in de gymzaal. Alleen Erik was nog sneller, maar die heeft altijd klittenbandschoenen aan. Terwijl ze wachten tot iedereen omgekleed is rennen de kinderen in het rond. Sommige spelen tikkertje, anderen voetballen wat met een bal die er nog lag. Als iedereen klaar is, laat de juf alle kinderen in een grote kring staan. Het nieuwe spel dat ze gaan doen heeft met tellen te maken. De juf vraagt iedereen tot hoever ze kunnen tellen en om het eens voor te doen. Iedereen kan wel tot tien tellen en sommigen zelfs veel verder. De juf zegt dat tot tien tellen ver genoeg is. Ze vertelt dat ze straks een getal zal noemen en dat iedereen dan groepjes moet maken die net zo groot zijn als dat getal. Dus het makkelijkste voorbeeld is natuurlijk één, dan moet iedereen apart gaan staan. Iedereen die nadat ze een getal heeft genoemd niet binnen tien tellen in een groepje staat dat precies zo groot is als het getal, is af en moet aan de kant komen staan. De juf vraagt of iedereen het snapt. Iedereen knikt van wel en dan begint het echte spel. De juffrouw roept heel hard: “Een!” Iedereen vliegt uit elkaar en gaat apart staan. “Heel goed allemaal. En dan nu: Twee!” Iedereen rent naar degene die het dichtste bij staat. Er zitten dertig kinderen in de klas, dus iedereen staat wel naast iemand anders, hoewel sommige een eindje verder moesten rennen omdat er niemand dichtbij stond. “Drie!” Oei, dat is moeilijker, want eigenlijk wil niemand bij zijn groepje weglopen, maar ja een groepje van twee is geen drie. Snel rent Rik weg bij zijn klasgenootje en gaat bij het groepje van Bram staan. Ha, nu is het wel een groepje van drie. Alle kinderen staan toch in groepjes van drie als de juffrouw tot tien geteld heeft. “Vier!” roept de juf. Rik rent al snel weer weg naar een ander groepje, want dat werkte net goed. Oei, maar nu blijven er twee kinderen over. Zij gaan naast de juf staan. Rik verwacht eigenlijk dat de juf vijf gaat roepen en rent al weg als ze de eerste letter uitspreekt. Maar dan wordt hij verrast, want de juf roept geen vijf, maar twee. Oei, nu is het groepje waar hij staat te groot en de vier andere kinderen vormen groepjes van twee, waardoor hij alleen komt te staan. Snel kijkt hij om zich heen of er nog iemand anders alleen staat. Net op tijd kan hij bij de laatste persoon komen die ook nog alleen staat. Daar was hij toch bijna af. Vijf rondjes later is Rik dan toch af. Hij heeft best hard gerend, dus is het best prettig om even op de bank te mogen zitten. Maar na een paar minuten wordt het toch best saai. Gelukkig gaat de juf steeds sneller en raken er steeds meer kinderen af. Als er nog maar twee kinderen over zijn, roept de juf dat zij gewonnen hebben en begint het hele spel opnieuw. In dit spel is Rik een van de laatste vijf kinderen die nog over zijn, maar dan verliest hij toch nog. Als het spel weer afgelopen is, doen ze nog een spelletje tikkertje met de bal, maar dan is het tijd om weer terug naar school te gaan, omdat de ouders al snel de kinderen komen halen.

Op weg terug naar school spreken een aantal kinderen af om vanmiddag in de grote speeltuin het spel nog een keer te spelen. Rik besluit om mama te vragen of hij ook heen mag, want hij heeft ook wel zin om mee te doen.

De ouders staan inderdaad al te wachten op het schoolplein als ze terugkomen. Rik rent meteen naar mama en Rak om te vragen of hij naar de speeltuin mag vanmiddag. Mama zegt dat ze vanmiddag nog even boodschappen moet doen en dat ze Rik dan wel even af kan zetten in de speeltuin. Maar dan moet ze hem wel weer ophalen als de boodschappen klaar zijn, dus dan kan hij niet zo heel lang blijven. Rik is al lang blij dat het mag. Hij is stiekem van plan om 's middags dan te bedelen of hij niet langer mag blijven, maar hij weet dat het geen zin heeft om dat nu al te doen, want dan mag het zeker niet.

En zo brengt mama hem 's middags naar de speeltuin. Rak mag bij Rik blijven, want anders moet hij bij de supermarkt toch buiten vastgebonden worden. Het spel is al begonnen, maar iedereen is al bijna af, dus het zal niet lang meer duren voor hij ook mee kan doen. Als het spel opnieuw begint, vraagt hij of Rak ook mee mag doen. Iedereen moet lachen, maar Rik houdt vol dat Rak ook kan tellen. Om het spel snel te laten beginnen wordt besloten dat Rak ook mee mag doen als hij het echt kan. En anders is hij snel genoeg af. Iedereen is hartstikke verbaasd als blijkt dat Rak inderdaad kan tellen, en goed ook. Hij is er zo goed in dat hij het spel zelfs wint.

Rik en Rak zijn net aan hun tweede spel begonnen als mama weer terugkomt. Omdat Rik haar nog niet gezien heeft blijft ze even staan kijken. Marieke, die net af is, legt haar uit hoe het spel werkt. Vol verbazing staat mama te kijken als duidelijk wordt dat Rak ook meedoet. “Ja hoor,” zegt Marieke, “Rak doet ook mee. Hij is er zelfs heel erg goed in. Het vorige spelletje heeft hij zelfs gewonnen.” Omdat Rik en Rak nog zo druk bezig zijn, blijft mama gewoon staan kijken. Pas als het spel afgelopen is roept ze Rik en Rak. Maar dan moeten ze ook echt naar huis. Iedereen zwaait naar Rik en Rak als ze weglopen en roept hun na of ze de volgende keer ook weer meedoen.

9 januari – het sneeuwgevecht

Het is stralend weer. Een beetje koud, maar wel heel erg zonnig met een strakblauwe lucht. En dus spelen ze die dag buiten. Er ligt nog steeds veel sneeuw, want er is de afgelopen nachten alleen maar meer sneeuw gevallen. De meeste kinderen doen drie is te veel met de sneeuwmannen. Iedereen staat bij een sneeuwman met uitzondering van twee kinderen. De ene is de tikker en de andere moet getikt worden. Zodra degene die getikt moet worden bij een sneeuwman gaat staan moet het andere kind dat daar staat wegrennen. Marieke is de tikker en Erik degene die getikt moet worden. Marieke is snel, maar Erik is nog sneller. Hij gaat snel bij Robbie staan. Robbie is een hele grote jongen, die ook een beetje dik is. Hij rent er snel vandoor, recht op de sneeuwpop die Bram, Rik en Marieke gemaakt hebben. Maar vlak voordat hij bij de sneeuwpop is glijdt hij uit en valt recht in de takkenarmen van de sneeuwman. En boem, met zijn tweeen vallen ze om. Bram en Marieke zijn boos, ze denken dat Robbie het express gedaan heeft. Rik heeft gezien dat hij gewoon uitgleed, maar Bram en Marieke schreeuwen zohard tegen Robbie, dat ze hem niet horen. Robbie krabbelt overeind. Hij wordt nu ook boos, want hij deed het helemaal niet express. Hij pakt een handvol sneeuw op van de ex-sneeuwman en gooit die naar Bram. Bram pakt ook een handvol sneeuw op en gooit die naar Robbie. Maar Bram mist Robbie en raakt Erik die er achter stond. Iedereen is er inmiddels omheen komen staan. Erik gooit nu sneeuw naar Bram, maar ook hij mist en raakt Lieke. Al snel gooit iedereen sneeuw naar iedereen. En als de juf komt om te kijken wat er aan de hand is krijgt ook zij sneeuw in haar gezicht. Eerst schrikt ze wel een beetje, maar als ze ziet dat iedereen er vooral lol in heeft en er niemand huilt of pijn heeft, pakt ze ook een handvol sneeuw op en gooit die terug. Na een half uur, zit iedereen, inclusief de juf, helemaal onder de sneeuw. Ze lijken zelf wel op sneeuwpoppen! Maar dan komen de eerste ouders al weer om hun kinderen op te halen. “Jullie lijken wel allemaal verschrikkelijke sneeuwmannen!” zegt mama als ze hem met Rak op komt halen, terwijl ze de ergste sneeuw van zijn kleren afklopt. Als ze thuiskomen om te eten trekt mama hem snel zijn kleren uit en hangt die boven de kachel om te drogen. Rik krijgt een badjas aan en een kop warme thee bij zijn boterhammen om weer warm te worden. Eigenlijk had hij het helemaal niet koud, want van zo'n sneeuwgevecht krijg je het knap warm.

Die middag moeten ze van de juf een tekening maken over het sneeuwgevecht. Rik tekent de omgevallen sneeuwpop. En daarna tekent hij al zijn klasgenoten met sneeuw in hun haren en op hun jassen. Bram met zijn rode sjaal, Marieke met haar blonde haren, Robbie die groter en dikker is dan de rest en zo een voor een alle anderen en zelfs de juf met haar lange jas en een sneeuwbal in haar hand. Bram zijn blaadje is nog steeds leeg en hij zit uit het raam te staren. “Wat is er Bram? Weet je niet wat je moet tekenen?” vraagt Rik. “Nee hoor, ik ben al klaar. Iedereen was vanmorgen zo wit, dat zie je niet op zo'n wit blaadje!” Daar moet iedereen wel om lachen, maar de juf vindt toch dat hij iets tekenen moet. En dus tekent Bram de sneeuwman, want die is het makkelijkst omdat ze pas nog sneeuwmannen geknutseld hebben. Als zijn sneeuwman af is tekent hij nog een hele kring met sneeuwmannen. En dan nog een tweede kring sneeuwmannen, als Rik wat langer kijkt snapt hij wat Bram tekent, de sneeuwmannen spelen drie is teveel! Hij moet hardop lachen om de tekening en dan wil iedereen weten wat Bram getekend heeft. De juf vindt het ook een mooie tekening en vraagt aan Bram of ze hem boven haar bureau mag hangen. Daar is Bram wel trots op, de juf hangt niet alle tekeningen boven haar bureau. Alle andere kinderen mogen hun tekening mee naar huis nemen. De juf zegt tegen Bram dat als hij de tekening later nog mee naar huis wil nemen, dat hij het dan gewoon even moet zeggen. Dat vindt Bram ook wel fijn, want ondanks dat hij heel trots is, wil hij de tekening toch ook wel aan zijn ouders laten zien. Na het tekenen mogen ze nog wat spelen. Bram en Rik spelen met de lego het sneeuwgevecht na. Helaas zijn er niet zo heel veel witte steentjes, dus het wordt een wat kleiner sneeuwgevecht, maar ze hebben toch veel lol. Om drie uur staan de ouders weer te wachten en is het weer tijd om naar huis te gaan.

10 januari – een vetbol voor de vogels

De juf heeft weer een winters knutselproject bedacht. Er ligt nu al meer dan een week sneeuw en niet alle vogels kunnen meer even makkelijk voedsel vinden. En dus gaan ze een vetbol maken. Een vetbol is een bolletje gemaakt van vet en zaden, alles wat een vogeltje nodig heeft om de winter door te komen. De juf heeft een heleboel soorten zaden meegenomen waar vogels gek op zijn: pompoenpitten, zonnebloempitten, sesamzaadjes en nog veel meer waarvan Rik de naam niet weet. De kinderen mogen zelf kiezen welke zaden ze in hun vetbol willen. Rik kiest ervoor om een vetbol met allemaal laagjes te maken. De juf heeft iedereen een plastic bekertje gegeven dat ze halfvol met zaadjes mogen doen.Rik doet er eerst een laagje pompoenpitten in, en dan een laagje sesamzaad, vervolgens doet hij er een laagje zonnebloempitten in en dan nog een laagje kleine ronde zaadjes die een beetje blauwig zijn. Nu is zijn bekertje al halfvol. De juf komt langs bij de kinderen die hun bekertje al vol hebben en giet er vloeibaar vet overheen. “Niet meer aanzitten hoor! Het vet is heet. Je kunt er je vingers aan branden.” Bram moet natuurlijk weer eens vervelend doen en heeft zijn hele bekertje vol met zaden gegooid. “Bram, zo kan er geen vet meer in, je moet er de helft weer uit gooien,” zegt de juf tegen hem. Rik vindt dat ze best wat strenger had mogen zijn. Als de juf bij iedereen vet in het bekertje heeft gedaan moeten ze wachten. Het vet moet nu stollen. Rik vindt dat het maar lang duurt. Gelukkig gaan ze eerst wat spelletjes spelen Ze doen een spelletje over het hongerige, blinde jonge vogeltje en de gemene kraaien. Een kind is het jonge vogeltje en krijgt een blinddoek om. In zijn nestje ligt wat voer, wat in het echt houten blokjes zijn. Alle andere kinderen zijn de gemene kraaien en moeten proberen zo zachtjes mogelijk voer te stelen. Als het vogeltje de kraai hoort, dan mag hij die tikken. Als de kraai getikt wordt dan moet hij het voer laten vallen. Het is een best moeilijk spel, bijna niemand lukt het om het voer te pakken te krijgen. Rik lukt het bijna een keer, maar vlak voordat hij met het blokje weg kan lopen zwaait het vogeltje met zijn armen en wordt hij toch nog getikt. Dan mag hij het vogeltje zijn en moet hij de blinddoek om. Het is best moeilijk om de kraaien te horen, want ook de kinderen die in de kring staan maken nog best veel lawaai. Maar dan hoort hij toch een geluidje van een blokje dat beweegt, snel maait hij met zijn armen in de richting van het geluid en ja hoor, hij heeft de kraai te pakken. Een tweede keer hoort hij het geluid van een blokje dat beweegt en weer maait hij met zijn armen naar voren. Maar dit was een hele slimme kraai, die pakt het blokje van de zijkant en dus mist hij. Als de kraai wegkomt met het voer juicht de hele kring. Rik is best een beetje teleurgesteld dat hij niet alle kraaien tegengehouden heeft. Na het spelletje mag iedereen een beetje voor zichzelf wat doen. Rik kiest voor de lego en gaat samen met twee anderen een groot kasteel bouwen. Erik is ongeduldig en wil weten of de vetbol al gestold is, de bovenkant ziet er al gestold uit. Maar als hij in zijn bekertje knijpt, stroomt dat bijna over. “Erik,” zegt de juf een beetje teleurgesteld, “ik had toch gezegd dat je er niet aan mocht komen. Nu wordt je vetbol niet zo mooi meer.” En inderdaad is de bovenkant nu een beetje gerimpeld. Rik is blij dat hij niet zo stom is geweest.

Als het tijd is voor de lunch mogen ze de vetbollen nog steeds niet mee naar huis, de juf zegt dat ze nog langer moeten stollen.

's Middags doen ze buiten wat renspelletjes. Het eerste spel is ratten en raven. De juf vertelt een verhaal en alle kinderen staan in twee lange rijen tegenover elkaar. Rik staat tegenover Bram. Als de juf het woord ratten noemt in het verhaal, dan moet de groep van Rik heel hard wegrennen naar de muur van de school. Als ze die aantikken zijn ze vrij, maar de groep van Bram doet heel hard hun best om ze te pakken te krijgen. Maar als de juf het woord raven noemt, dan moet de groep van Bram zien weg te komen om de schuurtjes aan te tikken. Voor ieder kind dat getikt wordt krijgt het andere team een punt. Bram zijn team staat voor, maar Rik zijn team ligt niet zo ver achter.

“De zwarte vogels zaten achter de ra-barber aan in de moestuin.” bij het horen van rabarber waren sommige kinderen natuurlijk al gaan rennen, omdat het een beetje klinkt als raven. Snel komt iedereen weer terug terwijl de juf verder vertelt. “De harige beestjes met lange staarten, de ratten...” Rik rent zo hard als hij kan weg, en omdat Bram niet zo goed oplette haalt hij de muur. Sommige andere kinderen zijn wel getikt. Snel loopt iedereen weer terug en het verhaal gaat verder. “... vinden dat helemaal niet leuk, want zij willen de rabarber zelf opeten.” Nu lopen er een stuk minder kinderen, want ze letten allemaal beter op en het woord rabarber is al een keer genoemd. Nog een paar keer rennen de beide groepen heen en weer, totdat de juf geen verhaal meer weet. Ze doen nog wat andere spelletjes en dan is het weer tijd om naar huis te gaan. Hun vetbol mogen ze meenemen, maar ze moeten nog steeds wel voorzichtig doen en er niet te hard in knijpen. De juf vertelt nog even hoe ze de vetbol thuis uit het bekertje kunnen krijgen en hoe ze hem op moeten hangen en dan rent iedereen naar zijn vader of moeder toe om weer naar huis te gaan. Het is vrijdag, dus het weekend is ook weer begonnen. “Tot volgende week!” roept de juf achter de kinderen aan..

11 januari – zwemles

Op zaterdag heeft Rik altijd zwemles. Hij is al een paar maanden bezig en heeft al heel wat vlaggen verdient, maar het duurt ook nog wel even voordat hij mag afzwemmen. 's Ochtends pakt zijn moeder zijn zwemtas in met zijn zwembroek en zijn handdoek en dan gaan ze gauw naar het zwembad. Mama gaat mee, maar Rak moet bij papa thuis blijven, want honden mogen niet in het zwembad. Rik vindt dat best jammer, want hij weet zeker dat Rak het in het zwembad heel leuk zou vinden.

Mama helpt Rik met omkleden. Alle kleren gaan uit en zijn zwembroek gaat aan. De handdoek neemt mama mee naar de tribune, die kan ze hem dan meteen na de zwemles geven. In zijn zwembroek gaat Rik onder de douche staan, want dat moet heeft mama verteld toen hij net begon met zwemmen. Voor de hygiene, zodat alle beestjes en ziektes van hem af spoelen. Rik weet niet precies hoe dat zit met die beestjes, hij heeft er nog nooit een gezien, maar als mama zegt dat het moet, dan moet het. Als hij gedouchet heeft gaat hij zijn kurken halen en doet ze om. Dat kan hij al helemaal zelf. Hij kan zelfs al de kinderen helpen die het nog niet zelf kunnen.

Rik heeft wel zin om meteen het water in te springen, maar hij weet dat dat niet mag. De meester haalt iedereen die dat doet altijd meteen weer uit het water en dan krijg je nog een standje ook. En als je het te vaak doet, dan krijg je zelfs straf en mag je een paar lessen niet komen. Rik wil graag zijn diploma halen, want dan mag hij zelf zwemmen, zonder dat papa, mama of de meester er bij is. Dus hij wacht netjes tot alle andere leerlingen ook klaar zijn en de meester zegt dat ze het water in mogen. Sommige kinderen gaan netjes via de trap het water in, maar Rik houdt ervan om met een grote plons in het water te springen. Hij kan inmiddels goed genoeg watertrappelen dat hij altijd weer boven water komt. Toen hij net begon met zwemmen durfde hij dat nog niet, want toen zonk hij als een baksteen. Vandaag gaan ze eerst met een plankje heen en weer zwemmen. Dan moet je je armen helemaal recht houden en kan je ze niet gebruiken om mee te zwemmen, maar het plankje helpt ook om je hoofd boven water te houden. Zwemmen doe je dan met alleen je benen. “Buigen, wijd, sluit!” roept de badmeester. Rik doet hard zijn best, maar zijn benen werken niet altijd even goed mee.

Daarna moeten ze ook zonder plankje zwemmen, dan is het een stuk moeilijker om je hoofd boven water te houden. De meester geeft iedereen aanwijzingen hoe je je benen en je armen moet bewegen en helpt de kinderen die nog niet zo goed hun hoofd boven water kunnen houden met de haak. Rik is blij dat hij zijn hoofd zelf boven water kan houden, want de haak vindt hij maar eng. Hij is altijd bang dat de meester bij heel vervelende kinderen gewoon zo in hun buik prikt. Hij heeft het natuurlijk nog nooit gezien, maar hij vermoedt dat iedereen een beetje

bang is voor de haak en dat niemand ooit zo vervelend durft te zijn

Na de les mogen de kinderen in het ondiepe bad nog wat spelen. De meester heeft wat gewichtjes in het water gegooid die je dan moet opduiken. Rik vindt dat wel leuk, maar als je moet kijken in het water dan prikt dat wel in je ogen. Ze mogen ook allemaal een keertje van de kinderglijbaan af. Rik kan niet wachten tot hij zijn diploma heeft, want dan mag hij ook van de grote glijbaan af. Dat is er zo eentje die allemaal bochten heeft en die je met een hele grote plons in het water gooit. De kinderglijbaan is niet zo steil en die is gewoon recht. Best leuk, maar niet zo stoer als de grote glijbaan. Als het uur om is, staat mama klaar met de handdoek. Eigenlijk wil Rik nog wel langer blijven, maar hij weet dat mama dat niet goed vindt. Snel gaat hij zich weer douchen tot al het chloor van zijn lijf afgespoeld is. Bijna vergeet hij de handdoek die hij naast de douche opgehangen had, maar gelukkig gaat het nog net goed. Mama staat in de kleedkamer al te wachten en helpt hem weer om zich af te drogen en aan te kleden. Rik kan zich best zelf aankleden, maar als mama helpt gaat het toch wat sneller. Als laatste doet hij zijn sokken en schoenen aan terwijl mama zijn handdoek en zwembroek in de tas stopt.

Thuis aangekomen vertelt Rik aan papa en Rak wat hij allemaal moest doen en hoe het ging. Rak is blij dat hij er weer is en wil maar al te graag met hem buitenspelen. Rik moet eerst van mama een broodje eten en wat drinken. Na het eten blijkt dat het buiten regent, dus Rik gaat met Rak naar zijn kamertje. Liggend op zijn bed doet Rik voor hoe je moet zwemmen, maar op zijn bed is het nog moeilijker dan in het water, want zijn dekens gaan niet zo makkelijk opzij als water. Als hij met een bons zijn bed uitzwemt komt mama ongerust kijken. Rik wrijft over zijn hoofd en vertelt tegen mama dat hij Rak wilde voordoen hoe je moest zwemmen. Mama moet lachen en vertelt dat honden heel anders zwemmen omdat hun poten niet dezelfde bewegingen kunnen maken als mensenarmen en -benen. Rik neemt zich voor om de badmeester te vragen hoe honden zwemmen, zodat hij Rak dat kan leren.

De rest van de dag gaat Rik dus maar een zwembad bouwen van zijn lego. Als het zwembad klaar is krijgen de legopoppetjes zwemles. Rak helpt mee door de poppetjes heen en weer door het zwembad te bewegen met zijn poot. En zo gaat de middag weer heel erg snel om. Tot het tijd is om te eten en daarna weer om naar bed te gaan. Zaterdagen zijn altijd te kort, vindt Rik.

12 januari – Schaatsen op het ijs

Op zondag besluit papa dat het nu lang genoeg gevroren heeft en dat het ijs wel stevig genoeg is. Samen met Rik gaat hij schaatsen voor Rik kopen. Rik krijgt een paar dubbele ijzers, omdat hij nog nooit eerder geschaatst heeft. Papa heeft zwarte Noren en mama heeft witte kunstschaatsen. Rik vraagt aan papa of er ook schaatsen voor honden zijn. Papa moet lachen en zegt dat hij er nog nooit van gehoord heeft. Met de schaatsen gaan ze naar de grote vijver in het dorp, daar zijn al heel veel mensen op het ijs. Het ijs zit al helemaal vol met krassen. Rik vraagt zich af of al die krassen het ijs niet stuk maken, papa stelt hem gerust en zegt dat het ijs van onderen af steeds dikker wordt. Naast de vijver zijn allemaal bankjes neergezet die in de zomer bijna in het water zouden staan. Papa zet Rik op een bankje neer zodat hij zijn schaatsen kan vastbinden. Zodra Rik zijn schaatsen vastzitten, bindt papa zijn eigen schaatsen onder. Rik moest zijn schoenen aanhouden, maar papa's schaatsen hebben al een soort schoenen er aan vast zitten. Als papa klaar is staat hij op en neemt Rik bij de hand. Het ijs is wel heel erg glad. Rik valt bijna meteen nadat papa hem overeind geholpen heeft weer omver. Boem! Het ijs is best wel hard. Veel harder dan de ijsjes die je in de zomer op een stokje hebt. Papa doet zijn best om zijn lachen in te houden en helpt Rik weer overeind. Rik probeert een beetje vooruit te komen, maar... Boem daar valt hij al weer. Papa zet hem weer op het bankje neer en doet voor hoe je moet schaatsen. Je moet eerste je ene been een beetje schuin naar voren glijden en dan het andere. Voorzichtig staat Rik op. Als hij gewoon blijft staan, dan valt hij niet. Voorzichtig tilt hij een been op. Zo op een been staan is nog best moeilijk. En dan glijdt hij nog niet eens! Papa doet nog eens langzaam voor hoe je met je ene been moet afzetten en op het andere dan vooruit glijdt. Rik probeert het ook. En ja, daar glijdt hij vooruit. Eerst een been, maar als hij het andere probeert dan valt hij weer. Dit keer valt hij voorover en bezeert zijn knie. Het doet best pijn en hij moet huilen. Papa neemt hem mee naar de kant en probeert hem te troosten. Maar Rik heeft eigenlijk niet zo'n zin meer. Papa doet de schaatsen af en zet hem op zijn rug. “Zo dan gaan we gewoon naar huis en eten eerst eens een broodje.”

Thuis vertelt Rik aan mama dat schaatsen eigenlijk helemaal niet leuk is, omdat je steeds valt. Mama vertelt hem dat er een trucje is om schaatsen te leren. “Als je wilt gaan we vanmiddag met zijn allen weer naar de vijver en dan leer ik je dat trucje.” Rik weet niet of hij wel zo'n zin heeft, maar is best nieuwsgierig wat voor trucje dat is en mama wil het niet vertellen voor ze bij de vijver zijn. En dus gaan ze na het eten weer terug naar de vijver. Mama vertrekt iets later, want ze moet nog wat spullen inpakken. Papa, Rik en Rak lopen alvast naar de vijver. Ze hebben net hun schaatsen aangetrokken als mama aankomt met... een stoeltje. Ze zet de stoel voor Rik op het ijs en doet snel haar eigen schaatsen aan. Als mama haar schaatsen aanheeft doet ze het voor. “Kijk, je houdt je gewoon aan de stoel vast, dan val je niet zo makkelijk om.” Mama moet wel een beetje bukken omdat de stoel niet zo groot is. Dan komt mama weer terug met de stoel. “Alsjeblieft, nou mag jij het eens proberen.”

Rik pakt de stoel vast en staat op. Voorzichtig zet hij af met een been. Dat was het been wat eerst ook al lukte en het lukt nog steeds. Nog steeds voorzichtig zet hij af met zijn andere been. Hij wiebelt nog wel een beetje, maar met de stoel kan hij overeind blijven. Langzaam schuifelt hij een rondje over de vijver. Trots kijken papa en mama hem na. Het tweede rondje gaat al een beetje sneller. Langzaam krijgt hij de slag te pakken. Papa en mama zijn intussen zelf ook rondjes gaan maken. papa maakt hele lange slagen en kan lekker hard de vijver rond. Mama draait vooral mooie rondjes en gaat veel minder hard. Rik weet niet zo goed wat hij als hij groot is liever zou doen. Maar papa ziet er toch wel stoer uit met zijn handen op zijn rug. Na vier rondjes zet Rik het stoeltje aan de kant en probeert voorzichtig een paar slagen. Bijna valt hij, maar door snel af te zetten met zijn andere been blijft hij staan. Maar nu gaat hij wel harder. Hij zet zijn andere been weer neer en glijdt op twee benen verder. Als hij weer bijna stil staat zet hij weer af. En nog eens, en nog eens. Het lijkt er nu toch echt op dat hij schaatst. “Kijk eens mama!” roept hij naar zijn moeder die het dichtste bij is. Maar dan is hij afgeleid en valt toch weer. Maar nu gaat het al zo goed dat hij het niet zo erg meer vindt. Opkrabbelen midden op de vijver valt toch niet mee. Zijn voeten glijden steeds weer weg en ondanks zijn wanten hebben zijn handen ook niet zoveel grip. Gelukkig komt mama langs en tilt hem weer op zijn voeten. De hele middag draaien ze met zijn drieen rondjes.

Rak heeft ook nog even geprobeerd op het ijs te lopen, maar hij glijdt steeds weg. Het lijkt wel of het ijs onder zijn poten veel gladder is dan voor alle anderen. Want er lopen genoeg andere honden wel over het ijs en die lijken nergens last van te hebben. En dus rent Rak gewoon rondjes om de vijver heen met Rik mee.

Als het begint te schemeren, roepen papa en mama Rik weer naar de kant. “En Rik, is schaatsen nog steeds stom?” vraagt mama. Met rode wangen van de kou moet Rik lachen. “Nee hoor, als je het kunt is schaatsen hardstikke gaaf!” Maar dan is de dag om en het schaatsen gedaan.

13 januari – Het alfabet

Op school vertelt de juf dat ze vandaag iets bijzonders gaan leren. “Sommige van jullie kennen en kunnen het misschien al, maar dan kunnen jullie degenen helpen die het nog niet kennen en kunnen. Vandaag gaan we het alfabet leren.”

Rik is meteen enthousiast. Hij kent wel al een paar letters, zoals de R van Rik en Rak, maar nog niet zo heel veel. De juf tekent de eerste letter op het bord, de A. “De A, wie weten er woorden die beginnen met een A?” Nou, dat zijn er nogal wat. Adam, en appel. Alfabet, en daar moet iedereen om lachen. Aardappel en ananas. De volgende letter is de B. “Van Bram!” roept Bram meteen. En van brood, banaan, baard, boter en brandweerauto. Een voor een komen alle letters op het bord. Vooral de Q en de X zijn moeilijk. Daar weet eigenlijk nieumand woorden mee. Als alle letters op het bord staan deelt de juf kaartjes uit. Iedere groep van vier tafeltjes krijg een stapel. Op de ene helft van de kaartjes staat een letter en op de andere helft staan plaatjes. De juf laat het plaatje dat bij de X hoort zien. Dit is een xylophoon, dat is een muziekinstrument. Voor de Q laat de juf een raar plaatje zien van een streep met aan de boven en onderkant een getal. Dit is het plaatje voor quotient, wat een heel moeilijk woord voor breuk is. Wat breuken zijn weten jullie misschien ook nog niet, maar dat geeft niet. Het is genoeg dat je weet dat dit bij de Q hoort.

Het groepje van Rik bekijkt alle plaatjes. Er is een appel, een banaan, een cent, een deur, een eend, een fluit, een golf, een hond, een iglo, een jas, een klok, een lepel, een mond, een neus, een oog, een peer, een kwo...dinges breuk, een robot, een stoel, een tractor, een uil, een veer, een weegschaal, een xylophoon, een ijsje en een zon. Dan schudden ze alle plaatjes en letters door elkaar en leggen ze in een rechthoek van bijna 6 bij 9 kaartjes op tafel met de plaatjes/letters naar beneden. De achterkanten van de kaartjes zijn blauw. Bram roept weer eens dat blauw zijn lievelingskleur is.

Een voor een draaien ze twee kaartjes om. Als de letter en het plaatje bij elkaar horen dan mogen ze de kaartjes houden. Soms hebben ze een beetje ruzie over of de letter wel goed is, maar met z'n vieren komen ze er meestal wel uit en heel soms roepen ze de juf erbij. Na een half uurtje hebben ze alle setjes bij elkaar. Dan gooien ze gauw alle kaartjes weer door elkaar en beginnen opnieuw. Nu duurt het nog maar een kwartiertje voordat ze klaar zijn. Na nog een derde spelletje komt de juf de kaartjes weer ophalen. De volgende opdracht is iets moeilijker, ze moeten hun eigen naam op een papiertje zetten. Rik heeft gelukkig thuis al een beetje geoefend. Sommige letters schrijft hij nog verkeerd om, maar iedereen kan toch al lezen wat er staat. Als hij klaar is schrijft hij ook Rak zijn naam maar op. Rik is best blij met zijn korte naam, hij heeft best een beetje medelijden met Marieke, die moet zo'n lange naam opschrijven, die is wel bijna drie keer zo lang als de zijne en met ook veel meer verschillende letters.

Daarna gaan ze met z'n allen in de kring zitten en moet iedereen om beurten de volgende letter uit het alfabet noemen. Dat gaat bij de meeste kinderen best goed, want dat heeft bijna iedereen in Sesamstraat wel een keer gezien. Na twee rondjes doen ze met z'n allen een spelletje Pim Pam Pet. Iedereen krijgt om beurten een vraag en mag dan draaien aan een wieltje met een pijltje dat door een cirkel met letters draait. De vragen zijn heel simpel, zoals noem een soort fruit, maar het antwoord dat je geeft moet beginnen met de letter waar het pijltje naar wijst. Alleen bij de Q en de X mag je van de juf opnieuw draaien. Als je een antwoord niet weet mag iemand anders die wel een antwoord weet zijn vinger opsteken. Rik moet een dier noemen dat begint met een O. “Olifant,” roept hij blij. Marieke moet ene sport noemen met een Z en noemt zwemmen. Bram moet een dier noemen met een V en kan niets bedenken. De andere kinderen moeten ook even nadenken. “Vleesetende haai,” roept iemand, maar dat vindt de juf niet goed. Maar dan weet Rik het, “vleermuis!”. Hij is zo enthousiast dat hij helemaal vergeet zijn vinger op te steken. Maar de juf vindt het niet zo erg, “Heel goed Rik!” Rik is best trots en ook de andere kinderen vinden het knap, want het was best een moeilijke vraag. Als alle kinderen aan de beurt geweest zijn is de ochtend weer om. Eigenlijk hoopt Rik dat ze 's middags weer met het alfabet gaan spelen, maar 's middags doen ze weer gewoon spelletjes op het schoolplein. Eenvoudig tikkertje en verstoppertje. En als het dan gaat sneeuwen, gaan ze weer naar binnen en spelen binnen verder.

14 januari – Rak uitlaten en sterren kijken

Rik heeft niet zo'n geweldige dag op school. Hij kan mama niet eens vertellen wat er mis was, alleen dat hij nergens zin in had. Ook thuis heeft hij eigenlijk nergens zin in en tijdens de lunch eet hij maar één boterhammetje. Normaal eet hij er wel twee of drie. Mama vraagt zich af of hij soms ziek is, maar Rik zegt van niet en hij heeft ook geen koorts. Ook 's avonds heeft hij niet zo'n zin in eten. Omdat hij netjes van alles een beetje eet en niet alleen zijn aardappels of zijn groente laat staan, laat mama hem maar gaan. Misschien wordt hij toch wel ziek, en anders eet hij morgen wel weer meer. Ellendig hangt Rik een beetje op de bank. Er is niets leuks op de televisie en hij heeft geen zin in zijn lego of zijn autootjes. Ook niet in de knikkerbaan of de puzzels. Rak voelt dat er wat mis is en blijft voortdurend bij hem in de buurt.

Als papa Rak gaat uitlaten, neemt hij Rik mee. “Kom op joh, Rak moet uitgelaten worden en jij ziet zo pips, je kan ook wel wat buitenlucht gebruiken. En het ziet er niet naar uit dat Rak je alleen wil laten.” Eigenlijk heeft Rik ook geen zin om Rak uit te laten, maar hij moet al bijna naar bed en een kans om wat later naar bed te mogen laat hij toch niet schieten. Het is al helemaal donker buiten, dus neemt papa een zaklamp mee. Hier buiten het dorp is niet zo veel verlichting 's avonds. Het is een heldere avond zonder wolken. De maan is al bijna vol en geeft nog best wel veel licht en er zijn wel een miljoen sterren aan de hemel. “Kijk Rik, dat is de grote beer.” terwijl Rak aan de bomen en struiken snuffelt, wijst papa omhoog. Rik volgt papa zijn arm en vinger. “De grote beer heeft de vorm van een steelpannetje, zie je wel?”

“Maar waarom noemen ze het dan de grote beer?” vraagt Rik verbaasd. Tja, dat weet papa eigenlijk ook niet zo goed. Hij laat Rik ook nog Cassiopeia zien, het sterrenbeeld in de vorm van een W. “Hee,” zegt Rik, “de W, die hebben we net op school geleerd! Maar dat sterrenbeeld heeft wel een moeilijke naam zeg, waarom hebben ze die niet gewoon Kassie genoemd, dat is toch veel makkelijker?” Papa moet lachen, Rik is weer enthousiast. “Ik weet het niet Rik, maar er zijn nog veel meer sterren en sterrenbeelden met moeilijke namen. Ik denk dat het komt omdat heel veel sterren een naam hebben gekregen van buitenlandse meneren.” Rik zoekt nog meer letters tussen de sterren. Er zijn zoveel sterren dat het niet zo moeilijk is. De A heeft hij al snel gevonden. De B is een stuk moeilijker, want de sterren werken niet zo goed mee om mooie ronde lijntjes te maken. De E en de F zijn weer een stuk makkelijker. “Papa, zijn er ook sterrenbeelden voor de rest van het alfabet?” vraagt hij aan papa, als hij de A niet meer terug kan vinden. “Nee, niet dat ik weet. Er is nog wel een boogschutter en een kleine beer, maar die kan ik niet altijd zo goed vinden. Als je nieuwsgierig bent kunnen we binnenkort wel een boek uit de bibliotheek halen over sterren en sterrenbeelden.” Dat lijkt Rik wel wat. Stiekem natuurlijk ook een beetje omdat sterrenkijken betekent dat hij lekker lang mag opblijven.

Rak snuffelt aan wat gras en moet dan niesen. Hij jankt een beetje omdat hij verder wil. Papa en Rik kijken weer omlaag en lopen met hem mee. Het valt Rik op dat het in de winter 's nachts heel stil is. In de zomer zijn er altijd kikkers en krekels, maar nu in de winter hoort hij helemaal niets. “Waar zijn alle kikkers en krekels papa?”

“De krekels weet ik niet zo goed, maar de kikkers zijn in winterslaap,” zegt papa.

“Winterslaap? Slapen ze dan de hele winter?” vraagt Rik verbaasd. Papa zegt van wel en vertelt dat er heel veel dieren zijn die in de winter geen eten meer kunnen vinden. Daarom proberen alle dieren om in de zomer genoeg te eten zodat ze lekker dik zijn en genoeg vet hebben om in de zomer te overleven. Beren eten heel erg veel in de zomer en gaan dan de hele winter slapen. Kikkers kunnen niet zo veel eten, maar die gaan in de winter heel diep slapen in de modder van de sloot. Ze slapen dan zo diep, dat ze bijna niet meer ademen. En daardoor heeft hun lijf niet zoveel voedsel nodig. En de modder houdt hun lekker warm. Eekhoorns doen het anders, die zoeken in de zomer heel veel nootjes, veel meer dan ze op kunnen eten en verstoppen die dan voor de winter. Zo hebben ze ook in de winter nog te eten. Natuurlijk zijn er ook een hoop dieren die in de winter nog wel gewoon wakker zijn en hun eten moeten zoeken. De vogeltjes bijvoorbeeld. Maar als het heel erg gesneeuwd heeft zoals nu, dan is het soms heel moeilijk voor ze om voedsel te vinden. En dan is het een goed idee om vetbollen op te hangen zoals ze laatst gedaan hebben. Rik neemt zich voor om als ze een boek over sterren gaan halen, dat ze dan maar meteen een boek moeten zoeken over het overwinteren van dieren, want dat is ook wel heel interessant. Rak huppelt om papa en Rik heen. Zijn plasje heeft hij wel gedaan, maar nu is hij gewoon blij om buiten te zijn en een beetje te kunnen hollen en spelen. Papa loopt nog een heel klein stukje verder, maar keert dan weer om. Het is al ver voorbij Rik zijn bedtijd en het wordt tijd dat ze weer teruggaan. Als ze weer thuis zijn, vindt Rik het wel jammer dat ze weer terug moesten, maar hij is ook wel al een beetje moe, en morgen moe hij weer naar school.

15 januari – De hut achter de bank

De volgende dag heeft Rik weer gewoon honger en bij zijn ontbijt en lunch eet hij weer gewoon twee broodjes. Mama is blij dat Rik toch niet ziek wordt. Het is woensdag dus 's middags heeft Rik vrij. Maar het is helemaal geen mooi weer. De lucht is hartstikke grijs en het sneeuwt zo hard dat je bij de achterdeur het einde van de tuin niet kan zien. Het is ook heel erg koud buiten, dus Rik vindt het niet zo erg dat hij niet naar buiten mag. Tijdens de lunch stelt mama voor dat ze wel een dekenhut kunnen bouwen. “Een dekenhut? Wat is dat, mama?” “Een dekenhut is een hut gemaakt van dekens en wat meubelstukken. Het je wel eens je benen of je armen omhoog gedaan onder de dekens? Dan lijkt je deken net een tent. Nou net zoiets, alleen dat eentje die blijft staan zonder dat je constant je armen of benen in de lucht moet houden.” Rik is meteen enthousiast. “Oh, en dan kunnen we daar ook in picknicken met limonade en een koekje!” Dat vindt mama ook een goed idee. Zodra de afwas in de vaatwasser staat haalt mama een paar oude dekens en lakens van zolder. Rik haalt op aanwijzing van mama de knijpermand. “Want,” zo zegt mama, “elke goede dekenhut is gemaakt met knijpers.”

Samen met mama versleept Rik de bank een beetje zodat ze er achterlangs kunnen. Dan zetten ze een stoel voor de ene opening tussen de bank en de muur en een tafel voor de andere opening. De dekens worden met de knijpers over de bank, de stoel en de tafel bevestigt, zo dat de kant van de stoel en de bank helemaal dicht zijn en de tafel de deuropening is. Dat is nog best moeilijk, want de deken glijdt steeds naar beneden omdat de leren bank erg glad is. Ze moeten het wel drie keer overnieuw doen. Het valt ook niet mee om de dekens aan de bank vast te maken. Uiteindelijk pakt mama de gewichtjes die je in de zomer aan het tafelkleed hangt om te zorgen dat het niet opwaait, en hangt die aan de deken om te zorgen dat hij niet zo makkelijk van de bank glijdt. Als ze eindelijk de dekens ook aan de stoelen en de tafel en elkaar vast hebben ze gezet hebben ze eindelijk een echte hut. Mama waarschuwt nog wel dat ze voorzichtig moeten zijn in de hut omdat hij makkelijk kan instorten.

Om de hut helemaal af te maken haalt mama wat losse kussens van de bank zodat ze lekker kunnen zitten in de hut. Rik legt Rak zijn kussen achter in de hut. Rak vindt het niet erg en gaat lekker liggen. Mama maak limonade met een koekje en Rik pakt een hondekoekje voor Rak. Rik kruipt eerst in de hut en geeft Rak zijn koekje. Dan kruipt hij terug naar de 'deur' van de hut en pakt voorzichtig de limonade van mama aan, zodat zij ook naar binnen kan kruipen. Samen gaan ze op de kussens zitten en drinken hun limonade op. Rik vindt dat ze ook verhalen moeten vertellen, want dat doen ze in al die oude films ook als ze in een hut zitten. Mama vindt het een goed idee en denkt dat het leuk is als ze om beurten een stukje vertellen en Rik begint.

“Er was eens, heel lang geleden een prinses. Die moest altijd heel hard werken totdat er een prins kwam met zijn draak.”

Mama vertelt verder, “De prinses moest heel hard werken van haar boze stiefmoeder, maar de prins pakte zijn grote zwaard en hakte zo het hoofd van de stiefmoeder er af.”

“De prinses schrok wel even, en vroeg zich af of een prins die zo gemeen kon zijn ook wel lief kon zijn. Maar de prins stapte van zijn draak af en gaf haar een kusje, toen wist de prinses dat de prins ook lief kon zijn.” zegt Rik.

“De prins en de prinses trouwden, kregen heel veel lieve kindertjes en leefden nog lang en gelukkig.” voegt mama toe.

“En de draak vond een vrouwtjesdraak en kreeg heel veel kleine drakenkindertjes.” maakt Rik het verhaal af.

Bij het “heel veel” wordt Rik zo enthousiast dat hij zijn armen met een woest gebaar in de lucht steekt. Daar kon de hut toch niet tegen en met een zucht storten de dekens bovenop Rik, mama en Rak. Mama moet heel hard lachen, maar Rik vindt het toch niet zo prettig als hij niet zo snel weer onder de deken vandaan kan komen. “mama!” piept hij angstig. Rak begint woest te blaffen tegen de nare dekens. Maar gelukkig komt mama al snel om iedereen te redden. Zij staat gewoon op en trekt daarmee het grootste deel van de dekens al weer mee omhoog. Daarbij klinkt er wel een harde bonk en een gesmoorde vloek van mama. “Wat gebeurt er mama?” vraagt Rik bezorgd, zijn angst op slag vergeten als hij denkt dat er iets met zijn moeder gebeurd is. “Niets hoor, ik stoot alleen mijn schouder tegen de tafel. Ik was helemaal vergeten dat ik daar onder zat.” Mama gooit de dekens op de bank en wrijft over haar schouder.

“Zo, nog maar een glas limonade en een koekje voor de schrik dan?” vraagt ze lachend. Juichend dansen Rik en Rak achter haar aan naar de keuken.

Als papa 's avonds thuis komt wordt het hele verhaal nog eens in geuren en kleuren verteld.

16 januari – Afwas doen

Rik speelt die dag met Marieke in de poppenhoek. Ze spelen vader en moedertje en de poppen zijn hun kinderen. Marieke heeft gekookt en vindt na het eten dat Rik moet afwassen. Rik kijkt haar verbaasd aan: “Afwassen? Wat is dat?” “Nou gewoon,” zegt Marieke, “de afwas doen.”

“Oh,” zegt Rik opgelucht, “maar waar is de vaatwasser dan?” “Een vaatwasser? Die hebben we niet, je moet maar gewoon met de hand afwassen,” zegt Marieke verontwaardigd.

“Maar ik weet niet hoe dat moet,” zegt Rik, “wij hebben thuis een vaatwasser en daar kun je het gewoon inzetten en dan wordt het vanzelf schoon.” Marieke denkt even na. “Mijn mama zegt dat je daar maar lui van wordt en dat het ook nog eens slecht is voor het milieu. Maar ik kan het je wel leren, als je wilt.” Rik vindt dat goed, hij is niet lui en wil ook graag helpen voor een beter milieu, want hij heeft op tv gehoord dat iedereen daar aan moet mee helpen.

Marieke doet het voor, “Nou je hebt dus een afwasborstel, die moet je je maar even verbeelden want die hebben we hier natuurlijk niet. Het is een stokje met aan een kant haartjes.” “Oh ja,” onderbreekt Rik haar, “die hebben we thuis wel!”

“Mooi, dan weet je hoe die er uit ziet. En dan neem je een teiltje vol met warm water met zeepsop.” Ze pakt een plastic teiltje. “En dan doe je daar een bord in en die maak je schoon met de borstel, net zo lang tot je geen vieze dingetjes meer ziet.” Met haar handen maakt ze een beweging of ze een borstel langs het bord haalt. “En als het dan schoon is, dan moet je het afdrogen met een theedoek. Die lijkt op een handdoek, alleen heeft hij geen haartjes, maar misschien hebben jullie die thuis ook wel?” Rik knikt. “Nou en zo doe je alle vieze borden, kopjes, pannen en bestek en alle andere dingen.” Rik is enthousiast, “dat is best makkelijk eigenlijk!” Hij neemt de ingebeelde borstel van Marieke over en hangt de ingebeelde theedoek over zijn schouder. Dan wast hij alle afwas af en begint daarna met afdrogen. “Nee joh,” zegt Marieke, “nou is als je afwas koud, mama zegt dat je het dan niet meer kunt afdrogen. Dus als je de afwas in je eentje doet, moet je steeds maar een paar dingetjes afwassen en ze daarna meteen afdrogen.”

“Oh,” zegt Rik, “dat wist ik niet. Nou dan doe ik het nog een keer.” En weer wast hij alles af, maar dit keer steeds drie dingetjes voordat hij ze afdroogt. “Goed zo,” zegt Marieke, “nu weet je hoe je moet afwassen!”

Die avond komt Rik thuis en vraagt meteen aan zijn moeder of het waar is dat een afwasmachine slecht voor het milieu is. “Nee hoor,” zegt mama, “dat was vroeger zo, toen ze nog maar net uitgevonden waren. Tegenwoordig gebruiken ze niet zo veel water meer.

“Maar afwassen is ook best leuk,” zegt Rik. Kunnen we niet een keertje gewoon met de hand afwassen? “Natuurlijk kunnen we dat!” Mama vindt het best leuk dat Rik wil meehelpen in het huishouden. “Dan zal ik vanavond wat spulletjes niet in de vaatwasser zetten en dan wassen we die samen met de hand af. Er zijn toch altijd een paar dingen die niet in de vaatwasser mogen.”

Na het eten staan mama en Rik in de keuken. Mama heeft speciaal een krukje voor Rik gepakt zodat hij goed bij het aanrecht kan. Rik begint met afwassen. Hij pakt een houten spatel en stopt hem in het sop. Dan haalt hij de borstel er een paar keer langs. Maar als hij de borstel uit het sop haalt is hij nog steeds vies. Hij stopt de borstel nog een keer in het sop en haalt de borstel er nog eens langs. Ook dat helpt niet. “Ja,” zegt mama, “je moet goed hard schrobben, anders wordt het niet schoon.” Rik boent dus maar eens extra hard. En ja, nu gaat het meeste vuil van de borstel af. “Dat was ook een spatel waarmee we door de rode saus geroerd hebben en dat is altijd extra moeilijk schoon te maken,” zegt mama. Rik schrobt nog eens hard op de plekjes die niet schoon zijn. Nu is de spatel bijna schoon, maar het hout lijkt nog wel een beetje rood gekleurd. Het zijn geen losse stukjes meer die je er makkelijk af kan vegen en het laat ook niet echt los als hij er overheen boent. “Hoort dat zo rood, mama?” vraagt Rik een beetje onzeker. “Nee,” zegt mama, “eigenlijk niet, probeer het maar eens met het schuursponsje. Die mag je niet overal voor gebruiken, want dat kan krassen, maar op een houten spatel mag het wel.” Rik pakt het schuursponsje en schrobt over de spatel heen. Nu verdwijnt ook het rode kleurtje, dat gaat goed! Eindelijk is de spatel schoon. Als volgende is de snijplank aan de beurt. Die is van glas en best zwaar, maar hij wordt wel een stuk makkelijker schoon. Gelukkig maar, Rik was al bang dat ze de hele avond bezig zouden zijn. Na de plank is er een plastic bakje, die is ook niet zo heel erg vies. Na het bakje komt een vork. Rik boent met de borstel, maar als hij de vork aan mama geeft, geeft ze hem terug. “Kijk eens, daar tussen de tandjes, daar zit nog wat viezigheid.” Oh ja, dat had Rik helemaal over het hoofd gezien. Het wil ook bijna niet weg. Rik schrobt en schrobt, maar het vieze stukje laat niet los. “Mag ik hier ook het schuursponsje voor gebruiken?” vraagt hij. “Ja dat mag wel, maar met het schuursponsje kun je daar niet bij, dus dat werkt niet,” stelt mama hem teleur, “moet ik het afwassen overnemen, dat jij kunt afdrogen?” Dat lijkt Rik wel wat, want het afdrogen ziet er een stuk makkelijker uit. Mama geeft hem de theedoek en neemt de borstel en de vork over. Al snel heeft ze de vork schoon. “Alsjeblieft.” Rik pakt de vork en droogt hem af. “Pas op!” zegt mama, “Je moet niet de theedoek op het aanrecht laten hangen, daar ligt veel water en dan wordt hij heel erg nat en kun je er niet meer mee afdrogen. Snel haalt Rik de theedoek van het aanrecht af. Hij houdt de vork nu boven de vloer. Het afdrogen van de vork gaat best goed. Dan wast mama een beker af. Het is niet zo´n grote beker, dus hij kan zijn hand er niet goed inkrijgen. “Kom eens,” zegt mama, “dan zal ik voordoen hoe je dat doet. Kijk, eerst stop je er een puntje van de theedoek in, zo. En dan prop je er steeds meer van de theedoek in, zo. En als er dan geen theedoek meer bijpast, dan draai je de theedoek rond, zo. En als je dat even doet dan is de beker droog. Kijk maar.” En ja, de beker is inderdaad droog. Dat is een handig trucje. Er is nog een beker en wat bestek. Rik probeert het trucje ook uit en voor hem werkt het gelukkig ook. Vijf minuutjes later zijn ze klaar. “Dank je wel, Rik. Dat was een stuk gezelliger dan als ik het alleen had moeten doen!”

17 januari – de oppas

Vrijdagavond moeten papa en mama weg. Ze hebben kaartjes voor het theater. Mama heeft voor Rik een oppas geregeld. De oppas komt vlak na het eten, want papa en mama moeten al vroeg weg. Rik kent haar nog niet. Hij hoopt maar dat het een lieve oppas is, en niet zo'n hele strenge. Hij wil namelijk graag even tv kijken vanavond. Van mama mag dat meestal wel, maar hij hoort wel eens verhalen van kinderen op school dat die een oppas hebben die de hele avond voor de tv hangt en waar je geeneens geluid van mag maken.

Bijna direct na het eten gaat de bel. Mama doet open en komt terug met een meisje dat er best aardig uitziet. “Hallo,” zegt het meisje, “jij moet Rik zijn. Ik ben Inge.” “Hallo Inge,” zegt Rik beleefd. Mama gaat meteen naar boven om zich gauw nog even om te kleden voor het theater en papa geeft Inge nog even wat instructies over hoe laat Rik naar bed moet en dat hij nog wat te drinken en een chipje mag voor die tijd en waar dat allemaal ligt. Hij geeft haar ook het nummer van zijn mobiele telefoon voor als er wat mis is. Als mama weer beneden komt, herhaalt ze nog eens het meeste van wat papa al zei, maar ze zegt ook nog dat ze ook altijd naar de buurman kunnen als er iets is wat meteen opgelost moet worden. Inge stelt het gerust dat het allemaal goed gaat komen en dat ze lekker weg kunnen.

Als papa en mama weg zijn, vraagt Inge aan Rik wat hij wil gaan doen. Rik is blij, dat klinkt goed. Hij vertelt dat hij graag tv wilde kijken, omdat zijn favoriete tv programma altijd op vrijdagavond op tv is. Inge is enthousiast, “Oh, dat programma keek ik vroeger ook altijd, wat leuk. Goed, dan gaan we dat doen! Zet jij de tv vast aan, dan ga ik wat te drinken en die chipjes pakken.” Rik huppelt naar de tv, hij vindt Inge aardig. Ze is helemaal niet zoals al zijn klasgenoten vertelden. Maandag moet hij ze maar vertellen dat hun ouders Inge moeten vragen als ze nog eens een oppas nodig hebben. Samen met Inge kruipt Rik op de bank. Net als hij moet Inge ook heel erg lachen om het programma. “Tjee, ik was al bijna vergeten hoe leuk dat programma was,” zegt Inge als het afgelopen is. “Wat zullen we nu doen? Heb je zin in een spelletje?” Rik zegt dat hij wel een puzzel wil maken. Inge is gek op puzzels, dus Rik pakt zijn lievelingspuzzel. Het is een puzzel met een plaatje van een kasteel met ridders en een draak.

“Oh, wow, wat een mooi puzzel. Maar wat een hoop stukjes! Wel duizend, daar zijn we vast lang mee bezig.” Rik gooit de doos voorzichtig leeg op tafel, en samen gaan ze alle randstukjes zoeken. Rik legt de vier hoekstukjes neer, want hij weet hoe groot de puzzel ongeveer wordt. Daarna sorteren ze de randstukjes op stukjes met luch en stukjes met land. Rik vindt de stukjes met lucht alijtd het moeilijkst. Inge begint met de luchtstukjes aan elkaar te passen en Rik begint met het land. De rand is best snel klaar, want Inge is goed in puzzelen. Dan gaan ze verder met de rest van de puzzel. Inge gaat verder met de lucht en zoekt alle blauwe en witte stukjes. Rik zoekt de stukjes van de draak. Hij maakt altijd eerst de draak en daarna het kasteel. De lucht doet hij altijd het laatste. Inge werkt vanuit een hoekje en maakt zo de hele lucht af. Als Rik net klaar is met de draak en het kasteel, is Inge bijna klaar met de lucht. Dan moeten ze het bos en de weg nog, maar eigenlijk is het al bedtijd. Inge kijkt even op de klok en kijkt dan naar de puzzel. “Eigenlijk is hij al bijna af he, en het zou zonde zijn om hem nu weer in de doos te moeten stoppen. Zullen we hem nog maar even snel afmaken?” Rik roept jubelend ja en zoekt gauw de stukjes van de weg uit de stukjes van het bos. Inge sorteert de stukjes van het bos op de lichte en de donkere delen. Als ze nog een stukje met een heel klein stukje lucht vindt, dan past ze die aan de puzzel. Rik is al snel klaar met de weg, want een groot deel had hij al gedaan omdat de ridders en de draak op de weg staan. Dan gaat hij Inge helpen met het bos. Hij heeft de puzzel al heel vaak gemaakt, dus sommige stukjes weet hij al meteen waar ze horen, terwijl Inge nog moet zoeken. Een kwartiertje later zijn ze klaar. Inge ruimt de puzzel op en stuurt Rik alvast naar boven om zijn tanden te poetsen. Rik wil Inge ook niet in de problemen brengen, dus rent hij de trap op en doet zijn pyama vast aan. Daarna poetst hij zijn tanden en wast hij zijn handen en zijn gezicht. “Zo hé,” zegt Inge, “jij bent snel! Ben je ook al naar de wc geweest?” Nee, dat was Rik nog vergeten. Hij loopt snel weer naar beneden om nog gauw even te plassen. Nog een keer de handen wassen en dan duikt hij snel zijn bed in. “Welterusten Inge, ik hoop dat je snel nog een keer mag oppassen, het was heel gezellig!” Inge wenst hem goedenacht en gaat stilletjes weer naar beneden.

18 januari – koekjes bakken

Als Rik weer terug komt van zijn zwemles, zegt mama dat ze zin heeft in koekjes. Lekkere verse koekjes, zelfgebakken. Ze duikt de kast in en komt terug met meel, suiker en vanillesuiker. Uit de koelkast haalt ze boter en eieren. Een voor een weegt ze de ingredienten af. Rik mag alles in een grote kom doen. Als alles in de kom zit, pakt mama de mixer en de kneedhaken. Rik kijkt toe hoe het deeg alle kanten opvliegt in de kom. De brokjes boter worden langzaam steeds ronder, en het eigeel verdwijnt langzaam in het meel. Als het deeg bijna geen klontjes meer heeft, mag Rik zijn schort aandoen, zijn handen wassen en daarna het deeg kneden. Hij staat bovenop het krukje en zijn armen verdwijnen bijna helemaal in de kom. Hij knijpt en hij duwt en hij knijpt nog eens een keer. Net zo lang tot alle klontjes helemaal verdwenen zijn en het deeg overal dezelfde kleur heeft. Mooi lichtgeel. Hij krijgt er best lamme vingers van. Mama kneedt het nog een laatste keer door om te controleren dat er echt geen klontjes meer inzitten. Dan pakt ze nog een keer de bloem en bestrooit een deel van het aanrecht er mee. De klomp deeg duwt ze eerste een beetje plat tussen haar handen en legt ze daarna midden in het bloem. Met de deegroller rolt ze het deeg tot een grote lap, terwijl ze af en toe de lap omdraait, zodat hij niet blijft plakken. Als de lap klaar is pakt Rik de uitstekers. Daar kan hij bij, want ze liggen in een van de onderste kastjes. De uitstekers hebben allerlei vormen. Er is een poppetje, een boompje, een huisje, een tractor, een hartje en een rondje. Het rondje vindt hij niet zo leuk, maar van alle andere vormpjes maakt hij er minstens twee. Mama heeft hem al geleerd dat je de koekjes zo dicht mogelijk bij elkaar moet maken, zodat er niet zoveel deeg over blijft. Het deeg dat overblijft mag Rik weer tot een bal kneden. Mama rolt er dan weer een lapje van en dan kunnen er nog meer koekjes gemaakt worden. Mama wil ook graag een paar ronde koekjes, dus Rik maakt toch nog een paar rondjes. Als het deeg bijna op is, en de lap zo klein is dat er geen koekje meer uit gehaald kan worden, peuzelen mama en Rik het deeg zo op. Mama zegt dat het niet gezond is, maar wel heel erg lekker. Rik kan dat alleen maar beamen. Als al het deeg op is, duikt mama nog een keer in de kast, want ze heeft zich herinnerd dat ze nog ergens nootjes heeft. Die kun je in de koekjes duwen, dan worden ze extra lekker.

Terwijl Rik de koekjes versiert met de noten, lekker dikke hazelnoten, zet mama de oven vast aan. Het bakblik haalt ze er uit, want dat moet nog ingevet worden. Als het bakblik ingevet is, legt mama voorzichtig de rauwe koekjes op het blik. Dat moet echt heel voorzichtig, want ze zijn natuurlijk nog niet hard. Tegen de tijd dat alle koekjes op het blik liggen is de oven warm. Mama schuift het blik in de oven en zet de wekker op een kwartier. Nu kunnen ze alleen nog maar wachten tot de koekjes gaar zijn. Rik pakt het krukje en gaat voor de oven zitten om te zien hoe koekjes gaar worden. Mama moet lachen en zegt dat het wachten dan wel heel lang gaat duren. “Als je tv kijkt gaat de tijd veel sneller!” beweert ze. Rik snapt het niet. De tijd gaat toch altijd even snel? Als mama zijn verbaasde blik ziet, vertelt ze: “Ja, de tijd gaat altijd even snel. Je hebt geen langzame en snelle seconden of minuten. Maar als je aan het wachten bent, dan lijkt de tijd altijd veel langzamer te gaan.”

Rik blijft toch voor de oven zitten, want die langzame tijd wil hij ook wel eens zien. Maar na een paar minuten geeft hij het op. Mama heeft gelijk, de minuten lijken echt wel veel langer dan anders. Mama kijk televisie, dus Rik gaat er maar naast zitten. Het is best een leuke film over een stel kinderen die gaan logeren bij hun oom. En voordat de kinderen hun koffers ook maar uitgepakt hebben gaat de wekker al weer. “Tjemig, deze minuten waren echt veel sneller!”

“Zie je wel,” zegt mama, terwijl ze opstaat om de koekjes uit de oven te gaan halen. “En moet je eens kijken hoe mooi de koekjes zijn geworden.” Het is waar, de koekjes zijn mooi goudbruin en knapperig. Dan komt papa naar beneden uit zijn computerkamer: “wat ruikt er hier zo heerlijk?“

“Koekjes, papa, net vers gebakken,” informeert Rik hem.

“Nou ik ruik het, daar krijg je honger van zeg!” Maar papa heeft nog even pech, want de koekjes zijn nog veel te heet om opgegeten te worden. Ze moeten toch echt nog even wachten. Terwijl ze wachten zet mama koffie voor papa en zichzelf en maakt ze limonade voor Rik. Als het drinken klaar is en de koekjes een beetje afgekoeld, pakt ze ook een koekje voor Rak. Die heeft de hele tijd stilletjes in een hoekje in de keuken gezeten, in de hoop dat er iets op de grond zou vallen. Samen eten ze een koekje en drinken ze hun bekers leeg. De rest van de koekjes gaat in de koektrommel. En dat vinden zowel Rik als papa erg jammer.

19 januari – helpen op de boerderij

De buurman is een echte boer. Niet dat hij lomp is, integendeel. Maar omdat hij een boerderij heeft. Een echte, met kippen en geiten en een hooischuur, en ook nog een moestuin voor de groente. Vandaag komt Hans langs om te helpen en als ze Rik buiten zien spelen, vragen ze hem om ook te helpen. De eerste taak die Rik en Hans krijgen is om de eieren te rapen. Hans heeft dat wel vaker gedaan, maar Rik nog niet. Hij is wel een beetje bang voor al die kippen, want die snavels zien er best scherp uit. Maar gelukkig weet Hans een trucje. Uit de schuur haalt hij een zak met graan en daaruit pakt hij een paar handen vol. Die strooit hij buiten, vlak voor het kippenhok. Alle kippen komen het hok uitgerend en beginnen woest om zich heen te pikken om maar zoveel mogelijk van de graantjes te bemachtigen. In de tussentijd kunnen Rik en Hans dus rustig het hok in om alle eieren te verzamelen. Rik had een mandje meegekregen van de buurman en voorzichtig leggen ze alle eieren die op de nesten liggen in het mandje. “Zitten daar nou geen kuikentjes in?” vraagt Rik een beetje bezorgd. “Nee hoor,” lacht Hans. Net als de kippen uitgevochten zijn om de laatste graantjes, hebben ze alle eieren verzameld. Ze brengen de eieren naar de buurman, die er voor hen allebei vier in een doosje stopt. “Die mogen jullie vanavond mee naar huis nemen,” zegt hij, “voor het harde werken. Maar eerst gaan we de geiten voeren.” Ze gaan met zijn drieen naar de geitenstal en de buurman pakt een grote zak met voer. “Ze eten eigenlijk voornamelijk gras, maar daar zitten voor geiten niet genoeg voedingsstoffen in. En dus voeren we ze bij met dit. Dan geven ze betere melk.” De buurman pakt een zak op en wijst Hans en Rik op een tuinslang., “als jullie nou eens de waterbak leeg gooien en daarna opnieuw vullen met de tuinslang? Dan vul ik de voerbakken.” Rik loopt naar de waterbak en ziet dat er een kraantje op zit waarmee je de bak kan laten leeglopen. “Moet ik dan gewoon aan dit kraantje draaien?” vraagt hij aan de buurman, bang om de hele stal onder water te zetten. “Ja hoor, dan loopt het vanzelf door de goot weg naar de afvoer.” Rik kijkt onder het kraantje en ziet dat daar de vloer inderdaad een klein beetje in een gootje loopt. Voorzichtig draait hij de kraan open en inderdaad, het water loopt door het gootje. Langzaam draait hij de kraan verder open, want het gootje ziet er niet echt diep uit en zin in natte voeten heeft hij niet, hij heeft zijn laarzen niet aan. Maar de straal van het water wordt niet zo groot dat het gootje het niet aan kan en alles loopt netjes het putje in. Intussen is Hans aan het worstelen geweest met de tuinslang. Die is best lang en dus ook best wel zwaar. Maar vooral ook erg onhandig. Rik gaat hem helpen en samen slepen ze de slang achter zich aan naar de waterbak. Hans vertelt dat ze het kraantje nog even open moeten latn, want de bak moet eerst nog schoon Rik had het kraantje al weer dichtgedraaid, dus hij draait het snel weer open, terwijl Hans het water aanzet. Samen spuiten ze de bak schoon en dan draait Rik het kraantje weer dicht. Nu loopt de bak weer vol. Een van de kleine geitjes begint al meteen te drinken.

Als het voeren klaar is, gaat de buurman de geitjes melken. Rik en Hans kijken toe. Geitjes melken is een precies werkje en als je het verkeerd doet, dan doe je de geit pijn en dat willen Hans en Rik niet. Dus kijken ze goed toe hoe het moet.

De buurman is klaar met de geiten, dus nu is het tijd voor de groententuin. De jongens worden vast vooruitgestuurd, omdat de buurman nog het een en ander moet pakken. In de groententuin groeien in het seizoen worteltjes, kool, sla, en boontjes en diverse soorten fruit. Rik is vooral dol op de aardbeien. Maar nu groeit er helemaal niets. Rik vraagt zich dan ook af wat ze in de groententuin moeten doen. De hele tuin ligt nog onder een dikke laag sneeuw. Midden in de tuin staat een vogelverschrikker. Hij ziet er vreselijk uit. Dan komt de buurman er aan met een baal stro en een plastic zak. In de zak blijken oude kleren en een bol touw te zitten. “Zo zegt de buurman, door jullie hulp heb ik eindelijk eens tijd om deze ouwe jongen een beetje op te knappen. De vogels waren niet echt bang meer voor hem. De buurman trekt de pop met paal en al de grond uit en legt hem op de grond. Uit een van de zakken van zijn overall haalt hij een schaar en begint de kleren van de pop door de midden te knippen. “Waarom doet u dat?” vraagt Rik. “Nou, de kleren zijn al heel erg oud en gescheurd, dus die kan ik niet meer gebruiken. Ik heb nieuwe kleren meegenomen om aan de nieuwe pop te doen. Dus is het makkelijker om ze gewoon af te knippen, want het is best veel werk om de kleren netjes aan of uit te doen. Dat zul je straks wel zien. Onder de kleren zit het stro met touw aan twee houten palen in de vorm van een kruis gebonden. Het oude stro ziet er ook niet zo goed meer uit. Het is meer zwart dan geel. De buurman knipt de touwjtes los en gooit alles aan de kant. Dan vertelt hij de jongens hoe ze het nieuwe stro in de vorm van een man neer moeten leggen zodat ze het aan de palen kunnen binden. De jongens werken hard en doen goed hun best maar desondanks zit het stro overal. Maar uiteindelijk ligt er toch een nieuwe pop. “Nu komt het moeilijkste,” zegt de buurman, “nu moeten de kleren er aan.” Met zijn drieen sjorren ze aan de pop, net zolang tot de kleren er een beetje fatsoenlijk omheen zitten. Eindelijk kan de buurman de nieuwe pop weer op zijn plaats zetten. De kleren zijn eigenlijk een beetje te groot, maar de buurman vertelt dat dat juist goed is, omdat ze nu goed wapperen in de wind. En daar schrikken de vogels van.

Als de pop op zijn plaats staat, gaan de drie mannen terug nar het huis. Rik en Hans krijgen nog een glas limonade en dan komen Hans zijn ouders weer om hem op te halen. De jongens nemen afscheid en krijgen hun eieren mee.

20 januari – Pesten

Als Rik op school komt, ziet hij dat er een groepje jongens om iemand heen staat. Hij kan niet goed zien wat er aan de hand is en gaat kijken. In de kring staan Marieke en Bram. Bram ziet er woest uit en Marieke hangt aan zijn arm alsof ze hem tegen probeert te houden. Als ze Rik ziet, roept ze hem toe: “Help me, hij is woest!” Pas dan hoort Rik dat de hele groep in koor aan het zingen is. Niet heel hard, maar net hard genoeg dat iedereen in de groep het horen kan. “Bram en Marieke zijn verliehiefd.” Rik snapt niet waar Bram zo woest om is. Samen met Marieke sleept hij Bram mee naar binnen als de bel gaat. “Ben je echt verliefd, Bram?” Bram kijkt hem woest aan,
“Nee natuurlijk niet. We zijn alleen goede vrienden, meer niet. Jij bent toch ook bevriend met Marieke?” Ja, dat was wel waar hij was op school net zo vaak met Marieke samen als Bram.

Zelfs tijdens de les ging het pesten door. Telkens als ze de kans kregen liepen ze langs Bram en fluisterden dan spottende teksten. Maar nooit als de juf dichtbij genoeg was om het te horen. Rik en Marieke moesten erg hun best doen om te zorgen dat Bram niemand een klap verkocht. “Maar waarom wordt je dan zo boos, Bram? Jij weet dat wat ze zeggen niet waar is, Marieke weet dat het niet waar is, ik weet dat het niet waar is. De rest is toch niet belangrijk?” Rik snapt het nog steeds niet helemaal. Als ze hem zo probeerden te pesten zou hij ze gewoon aankijken of ze gek waren. Maar Bram wordt boos, en dus gaan ze gewoon door met pesten. Rik snapt ook niet waarom de pestkoppen het zo leuk vinden dat Bram boos wordt. Vlak voordat ze tussen de middag naar huis mogen zijn Rik en Marieke even te ver weg als ze Bram weer eens een nare opmerking toefluisteren. En die keer haalt Bram uit. Hij geeft een harde klap. Zo hard dat iedereen het horen kan en meteen stil is en omkijkt. Ook de juf heeft het gehoord. Pieter heet de jongen die de opmerking maakte. En Pieter barst nu in tranen uit. De juf komt aangelopen en vraagt aan Pieter wat er aan de hand is. Pieter snikt het uit en weet er nog maar net uit te krijgen dat Bram hem zo maar sloeg. “Is dat waar, Bram?” vraagt de juffrouw. Bram kijkt boos, maar zegt niets. “Als je niets zegt, dan neem ik aan dat het waar is en dan moet ik je straf geven.” Bram zegt nog steeds niet. Rik kijkt naar Marieke, die kijkt ook heel boos, maar zegt ook niets. Dan besluit Rik dat hij het niet eerlijk vindt, hij weet niet waarom Bram niets zegt, maar de juf moet de waarheid kennen. Papa en mama vinden het altijd heel belangrijk dat hij de waarheid zegt. Vaak is de straf zelfs minder erg als hij eerlijk zegt dat hij bijvoorbeeld iets stukgemaakt heeft. “Dat is niet waar juf. Ze pesten Bram al de hele dag.”

Verbaasd kijkt de juf om, “is dat zo? Waarom hebben jullie dan niets gezegd? Pesten moet je meteen bij mij melden. Komen jullie alledrie maar eens mee.” Met zijn vieren gaan ze de gang op. Bram kijkt nog steeds boos, en Pieter loopt nog te snotteren. Op de gang vertelt Rik het hele verhaal. Als de juf aan Pieter vraagt of het waar is, ontkent hij dat hij Bram aan het pesten was. “Ik liep alleen maar langs!” De juf vraagt nog een keer aan Bram of het verhaal van Rik waar is, maar Bram wil nog steeds niets zeggen. “Nou, dan kan ik alleen maar Pieter op zijn kop geven omdat hij gepest heeft, en kijk niet zo verontwaardigd Pieter, Bram slaat heus niet zomaar. Zo goed ken ik hem nou ook wel weer. Bram, jij krijgt ook straf. Je mag mensen niet slaan, ook niet als ze je pesten. Als iemand je pest moet je dat komen melden. Jullie moeten straks allebei nablijven.” Rik vindt het niet helemaal eerlijk, maar weet dat de juf ook gelijk heeft.

Terug in de klas gaat alles weer gewoon verder. Rik gaat weer terug naar de lego waar hij mee aan het spelen was. Steeds weer komt er iemand langs om te vragen wat er gebeurd is, maar hij vertelt ze niets. Nu iedereen weet dat Bram hard genoeg slaat om je te laten huilen, houdt het pesten in ieder geval tijdens de les op.

Aan het einde van de les moeten Bram en Pieter nablijven, maar Rik moet naar huis, dus hij weet niet wat er gebeurt. Mama komt hem ophalen, dus hij kan ook niet blijven om er achter te komen. Rik vertelt het hele verhaal aan mama en vraagt haar of zij weet waarom Bram niets wil vertellen. Mama weet het ook niet, maar denkt dat het misschien komt omdat Bram zich toch wel een beetje schuldig voelde dat hij zo hard geslagen had. Rik neemt zich voor om toch maar meteen naar de juf te gaan als hij gepest wordt, want nablijven is vast niet leuk.

21 januari – pannenkoeken

Vanavond krijgt Rik pannenkoeken. Mama heeft het beloofd. Rik kijkt er de hele dag naar uit. En dan eindelijk is de les over en mag hij naar huis. Mama moet nog beginnen met bakken, maar zodra ze Rik gehaald heeft, pakt ze meteen alle spullen. Uit de kast komt de bloem en uit de koelkast komen de melk en de eieren. Rik mag de bloem afwegen. Met een grote lepel schept hij de bloem uit het pak en in de kom op de weegschaal. Intussen breekt mama de eieren een voor een. Als Rik de juiste hoeveelheid bloem heeft afgewogen doet mama de eieren bij de bloem in. Daarna gaat ook de melk er in en wordt alles door elkaar gemixt. Als het mixen klaar is, zet mama de koekenpan op het vuur. Pas als de pan goed heet is, gaat er wat boter in de pan. De boter smelt en sist meteen. Mama roert de boter door de pan, zodat de hele pan vet is. Dan doet ze een grote schep beslag in de pan. Het beslag sist ook en Rik, die op zijn krukje staat, kan zien dat de pannenkoek ook meteen stolt. Als de bovenkant helemaal gestold is, draait mama de pannenkoek om. Ook dat sist. Al heel snel is de pannenkoek klaar. Rik wilde dat hij hem meteen op mocht eten, hij heeft honger. Maar de regel is dat ze met zijn allen aan tafel eten. En dus zegt hij niets en kijkt gewoon toe hoe mama de pannenkoek op een bord doet en in de oven zet, zodat hij warm blijft. Als mama vier pannenkoeken gebakken heeft, vraagt ze Rik of hij de tafel vast wil dekken. Dat wil Rik wel, hoe eerder ze kunnen eten, hoe beter.

Eerst pakt hij de placemats. Die legt hij in een driehoekje op tafel. Eentje aan het uiteinde en twee aan de zijkanten tegenover elkaar. Dan pakt hij de borden. Heel voorzichtig draagt hij de borden naar de tafel. Op iedere placemat komt een bord. Weer terug naar de keuken om het bestek te halen. Messen en vorken, want lepels heb je niet nodig voor pannenkoeken. Ieder bord krijgt één mes en één vork. Rik legt allebei aan de rechterkant. Daarna kijkt hij naar de tafel, wat moet er nu nog meer komen? Oh ja, onderzetters voor de pan met pannenkoeken. Hij haalt de onderzetters. Vanuit de keuken roept mama: “vergeet je ook het beleg niet?” Zodra de onderzetters op tafel liggen gaat Rik de jam, de suiker en de stroop halen. “Mag de hagelslag ook op tafel?” Hagelslag op een hete pannenkoek smelt zo lekker. Mama vindt het goed, dus de hagelslag gaat ook op tafel. Dan is het tafeldekken klaar. Mama heeft al een hele stapel pannenkoeken gebakken. Van het laatste beetje beslag maakt ze spekpannenkoeken, want die vindt papa zo lekker. En net op dat moment komt papa binnenlopen: “Hmm, wat ruikt er hier zo lekker? Zijn dat spekpannenkoeken?” Papa geeft mama een zoen, en Rik een aai over zijn bol. Rik is blij dat papa thuis is, nu kunnen ze tenminste meteen eten als de pannenkoeken klaar zijn.

Rik gaat vast op zijn stoel zitten. Papa gaat eerst nog even naar de wc, maar komt dan ook zitten. Dan komt mama met een grote schaal met pannenkoeken. Papa krijgt meteen een spekpannenkoek. Mama vraagt aan Rik of hij er ook een wil. Dat wil Rik wel. Papa doet stroop op zijn pannenkoek. Als hij klaar is, vraagt hij of Rik ook stroop wil. Als Rik ja zegt, dan schrijft papa met de stroop RIK op Rik zijn pannenkoek. Rik vindt het bijna zonde om de stroop uit te smeren over de pannenkoek, maar hij doet het toch maar. Dan rolt hij met zijn vingers de pannenkoek op, dat is iets wat gewoon niet te doen is met mes en vork. Eigenlijk mag hij de pannenkoek ook wel met zijn vingers opeten, maar vaak zijn ze daar te heet voor en de stroop gaat dan altijd zo druipen. En dus snijdt hij netjes met zijn mes en vork een plakje van de rol af en steekt die in zijn mond. Hmmm, spekpannenkoek met stroop. Hij snapt best waarom papa die zo lekker vindt. Maar zelf vindt hij een gewone pannenkoek met hagelslag toch nog lekkerder. Die neemt hij dan ook voor zijn volgende pannenkoek. Maar dan zit hij toch echt vol. Wat best jammer is, want pannenkoek met jam is ook erg lekker. Dan neemt mama een pannenkoek met jam. “Mama, mag ik een hapje van jouw pannenkoek. Want eigenlijk wil ik nog een pannenkoek met jam, maar ik zit al vol. Maar één hapje past er nog wel in.” Papa moet lachen en ook mama glimlacht. “Zo leer je nu eindelijk eens om naar je maag te luisteren, in plaats van naar je ogen? Natuurlijk mag jij een hapje.” Mama snijdt een plakje voor hem af. Rik kauwt er langzaam op om er lang van te kunnen genieten. “Dank je wel, mama. De pannenkoeken waren weer erg lekker!” Papa herhaalt dat hij ze ook erg lekker vond. “Volgens mij ben jij de beste pannenkoekenbakker, ik heb ze nergens lekkerder gegeten.” Bij die opmerking van papa bloost mama een klein beetje. “Mallerd, je hoeft het ook weer niet te overdrijven.” Papa protesteert dat het waar is, en Rik zegt dat zelfs de pannenkoeken van oma niet zo lekker zijn. Als ze allemaal klaar zijn met eten, zijn er nog drie pannenkoeken over. “Lekker,” zegt papa, “dan hebben we morgenochtend ontbijt.”

22 januari – tekenen bij oma

Woensdagmiddag gaat Rik bij oma op bezoek. Oma staat hem al op te wachten bij het schoolplein. Rik heeft een tekening mee voor oma, en ook een voor opa. Ze hadden namelijk getekend op school. Voor oma heeft hij een mooie bos bloemen getekend, want oma heeft altijd bloemen op tafel staan. Voor opa heeft hij een trein getekend, want opa heeft vitrinekastje met hele mooie treintjes. Rik wilde dat ze konden rijden. Op plaatjes en op tv heeft hij wel eens treinenbanen gezien en die waren altijd net echt, maar dan kleiner.

Oma krijgt haar tekening meteen, maar mag de tekening voor opa nog niet zien. Opa is thuis, dus zodra ze daar zijn krijgt ook hij zijn tekening. En dan mag oma hem natuurlijk ook zien. Opa en oma vinden de tekeningen heel mooi. “Hou je van tekenen Rik?” vraagt Oma, “Want als je wilt kunnen we vanmiddag ook wel gaan tekenen.” Daar heeft Rik wel zin in en dus pakt oma papier en potloden. Oma leert Rik een rijmpje tekenen dat ze vroeger geleerd heeft. “Om en om en om” Hier tekent oma een spiraal. “Dit is recht en dit is krom” Dat zijn een rechte en een kromme lijn. “Dit is een griffel” Een griffel lijkt wel op een pen en als Rik het vraagt blijkt dat ook zo te zijn. “Dit is een lei” Een lei is een soort krijtbordje, legt oma uit. “Dit ben ik” Dat is een poppetje met een rok aan. “En dat ben jij!” En dan tekent oma iets wat op een ezel lijkt. Rik moet te hard lachten om echt beledigd te zijn. Hij vindt het wel een goede mop en kan niet wachten om hem aan zijn vrienden op school te vertellen. Daarna gaan ze gewoon verder met tekenen. Oma tekent een sloot met een bootje er in. In het bootje zit een visser. In de sloot zwemmen ook eendjes. Naast de sloot staat gras. In het gras staan schapen. Aan de horizon is een stad en boven de stad is de lucht met wolken en vogels. Oma kan heel goed tekenen vindt Rik. Hij wordt zo afgeleid door alles wat oma tekent dat zijn eigen tekening niet zo heel erg snel gaat. Hij was begonnen met een boom, maar nu is er ook gras om de boom heen, en een vogeltje in de boom en appels. Hij probeert zelfs een vogeltje dat een appel opeet. Hij is ook heel trots als oma kan herkennen dat het vogeltje de appel probeert op te eten. Verder kopieert hij oma's wolken en vogels. Niet precies natuurlijk, maar wel de manier waarop ze getekend zijn. Rik tekent meestal wel een beetje met kleurtjes, maar dan vooral dat de lijntjes van de appel rood worden en de lijntjes van de bladeren groen en de lijntjes van de stam bruin, enzovoort. Maar oma kleurt ook alles echt in. En dus begint Rik ook alles in te kleuren. Hij ontdekt dat dat met potlood veel mooier wordt dan met stift. Als je met stift naast de lijntjes kleurt dan blijft je dat altijd zien, maar met potlood kun je dat nog prima verbergen. Als Rik alle blaadjes groen kleurt, vraagt oma opeen aan opa of hij ook een foto van een boom in de zomer heeft. Opa denkt van wel en gaat boven in zijn fotoboeken kijken. Rik vraagt zich af waar dat over ging, maar gaat toch maar door met alle appels rood te kleuren. De wolken laat hij wit, maar dan blijft er wel heel veel lucht over die nog blauw moet. Daar ziet hij tegenop en laat dat over voor het laatst. Net als hij zich afvraagt wat hij het volgend in zal kleuren, komt opa weer beneden met een mooie foto van een boom. “Rik,” zegt oma, “kijk eens goed naar de boom en vertel me dan eens welke kleur de blaadjes hebben.” Rik kijkt goed. De blaadjes zijn vooral groen, maar er zit ook best veel geel in. En zelfs een beetje bruin. “Hee, ze zijn helemaal niet allemaal groen!” “Nee,” zegt oma, “de blaadjes zijn niet helemaal groen. De meeste blaadjes hebben ook iets van een andere kleur.” Opa heeft nog meer foto's van bomen meegenomen. Op de volgende foto is de lucht ook niet helemaal blauw, het is zonsondergang, of zonsopgang, dat kan Rik niet zien. Maar daardoor zijn de blaadjes van de boom die er op staan eigenlijk meer rood en oranje dan groen. Dat effect vindt Rik wel mooi en hij begint meteen de lucht van zijn tekening te kleuren. Hij begint onderaan met rood. Hij is blij dat hij nog geen zon in zijn tekening getekend had, want nu kan hij precies bedenken waar die ondergaat. Het rood tekent hij in een soort van halve cirkel om de plaats waar de zon onder gaat. Daaromheen komt een oranje halve cirkel, die is al een stuk groter. Dan komt geel, dan nog een beetje blauw en langzaam naar de randjes van de tekening wordt de lucht donkerblauw. Het is niet zo mooi als op de foto, maar Rik denkt dat iedereen wel snapt wat hij getekend heeft. De boom krijgt ook een hele andere kleur. Aan de kant van de zon worden de blaadjes rood en aan de andere kant krijgen ze aan de onderkant gele randjes. Dat was met stift allemaal lang niet zo mooi gelukt. Oma laat Rik ook nog zien hoe hij met zijn vingers de kleuren van de lucht nog een beetje kan laten vlekken, zodat ze mooier in elkaar overlopen. En zo is Rik de hele middag met de tekening bezig. Hij is nog maar net klaar als mama voor de deur staat. Enthousiast rent Rik op haar af met de tekening. “Wouw Rik, heb jij die gemaakt? Echt waar? Knap zeg, zo mooi kan ik niet tekenen hoor!”

Mama drinkt nog een kopje koffie en bekijkt nog even opa's foto's die Rik geholpen hebben en dan gaan ze weer naar huis. “Dag oma, dag opa!”

23 januari – spelletjes spelen

's ochtends op school krijgt Rik te horen dat iedereen die dat wil 's middags een spelletje mag meenemen en dat ze dan met zijn allen spelletjes gaan spelen. De juf waarschuwt nog wel dat het best zou kunnen dat jouw specifieke spel niet gespeeld gaat worden, omdat ze niet genoeg tijd zullen hebben om alle spellen te spelen. Tijdens het spelen denkt Rik na over wat voor spel hij mee zal nemen. Eigenlijk speelt hij thuis niet zo veel spelletjes. Hij speelt meestal buiten, en anders met zijn lego of zijn puzzels. Puzzels heeft hij genoeg, maar spelletjes? Hij besluit het zijn moeder te vragen als ze hem komt ophalen. Mama zegt dat ze nog wel een dominospel thuis hebben dat hij kan meenemen. “Hoe werkt domino dan, mama?” vraagt Rik. Want dat moet hij natuurlijk wel weten als hij het meeneemt. “Als je zometeen snel je brood opeet, dan hebben we nog wel even tijd om het te spelen, zodat je het vanmiddag snapt.”

Thuis aangekomen smeert mama meteen wat broodjes. Vaak mag Rik zijn brood zelf smeren, maar dat kost wat meer tijd. Dus vandaag doet mama het even snel zelf. Een boterhammetje met hagelslag en een met kaas. Mama legt de broodjes op een bordje en zet Rik met zijn brood aan tafel. Als jij vast begint te eten, dan haal ik het spel vast naar beneden. “Maar mama, moet jij dan niet eten?” “Natuurlijk wel mallerd, kijk eens wat er op het aanrecht staat?” En ja, daar staat nog een bordje met twee boterhammen met kaas. “Ik kom zo bij je zitten met mijn brood.” Rik gaat zitten en begint aan zijn broodje kaas. Kaas is wel lekker, maar hagelslag is nog lekkerder, dus die bewaart hij voor het laatst. Met acht grote happen is zijn broodje op. Net als hij op zijn laatste hap aan het kauwen is komt mama terug van boven. In haar handen heeft ze een klein houten doosje. Bovenop staat een woord dat met een D begint. Die herkent Rik nog van het alfabet. Als hij het mama voor de zekerheid vraagt, bevestigt zij dat er inderdaad domino staat. Mama legt het doosje op tafel en tussen twee happen in opent Rik het doosje. Er zitten allemaal stenen in met stipjes er op. In het midden van het steentje staat een streepje en aan allebei de kanten zitten stipjes. Alle stenen zijn anders dan alle anderen. Sommige stenen hebben ook helemaal geen stipjes aan een van de kanten van het streepje. Mama legt uit dat het gaat om het aantal stipjes. Ze schudt alle stenen door elkaar en pakt er zes voor zichzelf en zes voor Rik. Dan pakt ze nog een steen en legt die open, dat is met de puntjes omhoog, op tafel. “Het is de bedoeling,” zegt mama, “om als je aan de beurt bent aan een van beide kanten van het steentje een steentje aan te leggen. Kijk het steentje dat op tafel ligt, heeft vijf stipjes aan de ene kant, en twee stipjes aan de andere kant. Jij mag beginnen, dus nu moet je kijken of je een steentje hebt die aan een van beide kanten twee of vijf stipjes heeft.” Rik heeft een steentje met vijf en zes stipjes. Hij legt de kant met vijf stipjes tegen de kant van het steentje op tafel met vijf stipjes. Nu is mama aan de beurt. Zij heeft een steentje met twee stipjes aan allebei de kanten. Na drie beurten heeft Rik geen steentje meer dat past. “Wat moet ik nu doen, mama?” “Nu moet je een nieuw steentje uit de voorraad pakken en is je beurt voorbij.”

Aan het eind van het spelletje heeft mama gewonnen, want mama's steentjes zijn op en Rik heeft er nog twee. Intussen is ook al het brood op, en moet Rik weer naar school.

Als Rik op school komt heeft bijna iedereen wel een spelletje mee. Marieke heeft een vampierspelletje mee. Dat klinkt echt heel gaaf. Van de juf mag iedereen zelf kiezen met welk spel hij speelt, maar iedereen moet wel heel voorzichtig met de spelletjes zijn, want ze mogen niet stuk. Rik en Marieke beginnen meteen met haar spel. Dan heb je een kerkhof met allemaal graven en iedere speler heeft een verzameling vampiers die je in een graf moet leggen. Maar alle vampieren hebben een kleur en de graven ook. Dus je moet steeds een grafsteen omkeren en kijken of hij de kleur heeft van de twee vampieren die aan de buitenkant van je rijtje met vampieren liggen. Als de kleur klopt, dan mag je de vampier in het graf leggen. Maar als het niet klopt, dan moet je het graf weer dicht doen. En je mag ook geen graf openen waar al een vampier in ligt. En dan zijn er ook nog ratten. Het is best een ingewikkeld spel, en je moet heel goed blijven herinneren welke kleur ieder graf heeft en of er dus al een vampier in ligt. Rik wint het spelletje en wil eigenlijk nog wel een keer spelen zodat Marieke wraak kan nemen, maar er staan al heel veel andere kinderen te wachten om het spel te kunnen spelen, en dus geeft hij zijn plekje vrij voor iemand anders. Het is Marieke haar spel, dus zij mag blijven zitten. De middag is al bijna om en iedereen is of bezig met een spel, of aan het kijken naar een spel. Dus Rik blijft maar staan bi het spel om te kijken hoe het gaat. De volgende speler die het tegen Marieke mag proberen is Bram. Hij is er niet zo goed in, want hij heeft niet zoveel geduld. Dus nu wint Marieke. Dan is de middag voorbij. Rik was zijn dominospel helemaal vergeten, net als hij zijn jas aandoet, bedenkt hij zich dat hij het mee had en gaat gauw de klas in om het op te halen. Het doosje zit nog steeds dicht, niemand heeft er mee gespeeld. Rik vindt het niet zo gek, er waren ook zo veel leukere spelletjes.

24 januari – visite

Vanavond komt er visite. Mama heeft Rik verteld dat de visite pas komt als hij al op bed ligt. Maar eigenlijk is Rik best nieuwsgierig. Die dag op school verzint Rik hoe de visite er uit zou kunnen zien. Het is een collega van papa met zijn vrouw. Misschien is de collega van papa wel heel erg groot en sterk. En het is best regenachtig, dus hij draagt vast een lange regenjas en een paraplu. En daaronder draagt hij een pak, want papa gaat altijd naar de zaak en zakenmeneren dragen een pak. En zijn vrouw draagt hoge hakken, een mantelpakje en een parelketting, want dat dragen zakenmevrouwen altijd op televisie. Als ze op school mogen kiezen wat ze gaan doen, kiest Rik tekenen. Hij houdt van tekenen en hij wil een tekening maken voor de visite. Hij tekent de meneer en mevrouw precies zoals hij ze zich voorstelt.

's Middags thuis laat hij de tekening aan zijn moeder zien. “Kijk mama, ik heb de visite getekend.” Mama moet lachen, “Maar hoe weet je nou dat ze er zo uit zien?” “Nou ja, dat weet ik natuurlijk niet zeker, maar ik heb zakenmensen getekend. Papa gaat toch altijd naar de zaak?” verdedigt Rik zich, “En zakenmensen dragen pakken. Dat zie je op tv altijd in de reclames.” “Maar Rik, papa draagt toch ook geen pak naar zijn werk?” Oh nee, dat was hij helemaal vergeten. Papa draagt alleen een pak als hij naar speciale klanten moet. Op het werk draagt hij gewoon een spijkerbroek met een overhemd. Oei, dus misschien draagt zijn collega ook wel geen pak. “Nou ja, het is wel een mooie tekening, Rik. Je kunt hem nog steeds aan ze geven hoor. Dan zeggen we gewoon dat jullie vandaag op school belangrijke mensen getekend hebben.” Mama probeert Rik een beetje te troosten, want hij ziet er best een beetje sip uit. De visite komt pas na het eten, dus mama legt de tekening op de kast, zodat er niets op gemorst kan worden.

Het is al even over achten als de visite komt, Rik had eigenlijk al op bed moeten liggen, maar hij heeft net zo lang gebedeld tot hij even op mocht blijven om zelf de tekening te geven. Het is vandaag vrijdag, dus hij wist dat hij het kon proberen. Want hij moet voor zwemles wel vroeg opstaan, maar niet zo vroeg als voor naar school gaan. Hij moest wel al zijn tanden poetsen, zich wassen en zijn pyama aan, want meteen nadat hij de tekening heeft gegeven moet hij naar bed, anders wordt het veel te laat.

De visite heeft een mooie bos bloemen voor mama meegenomen. Maar ze lijken inderdaad helemaal niet op de mensen op zijn tekening. Ze dragen allebei een spijkerbroek en een buitensportjas. Van die hele felle die ook nog waterdicht zijn. Rik vindt dat altijd hele stoere jassen, nog mooier dan zeiljassen. Daar heeft papa er een van. Onder de jassen hebben ze allebei gewoon een trui aan. Als de visite eindelijk binnen is en op de bank zit, wordt Rik toch een beetje verlegen. Maar mama komt al aangelopen met zijn tekening en geeft hem aan Rik. Dan moet hij wel, uiteindelijk is hij hiervoor opgebleven en hij moet nu echt naar bed. Dus loopt hij naar de visite toe en zegt zachtjes: “Voor jullie.” Hij geeft de tekening en vlucht de trap op. Papa moet hard lachen, maar mama lacht hem gelukkig niet uit als ze achter hem aankomt. Snel brengt mama Rik naar bed. Ze leest maar een heel kort verhaaltje voor, want hij had er al lang in moeten liggen. Rik weet wel beter dan te zeuren om meer. Als hij nu gaat zeuren, loopt hij het risico dat hij van het weekend helemaal niet voorgelezen wordt.

Rik blijft braaf in bed liggen, maar hij is helemaal niet moe. Na een kwartier hoort hij iedereen beneden heel erg hard lachen en hij is vreselijk nieuwsgierig waarom. Zelfs Rak blafte mee. Zachtjes sluipt hij uit zijn bed en kruipt de gang op. Omdat hij Rak hoorde blaffen, weet hij dat die in de huiskamer is. En mama had de deur van de gang achter zich dichtgedaan toen ze hem naar bed bracht. Anders had hij nooit uit zijn bed durven komen, want dan had Rak dat onmiddellijk geweten. Zelfs nu nog is hij bang dat Rak, of mama, hem hoort en dat hij dan weer naar bed gestuurd wordt. Stapje voor stapje loopt hij de gang op. Bovenaan de trap probeert hij te horen wat er gezegd wordt. Maar hij kan nog steeds niets horen. En de trap af durft hij niet, want hij kan nog steeds niet echt zachtjes de trap op en af lopen. En al helemaal niet als hij haast heeft. En als er iemand naar de wc zou gaan, dan heeft hij zeker haast. En dus blijft hij een tijdje boven aan de trap zitten. Maar langzaam krijgt hij het koud. Er is geen kachel op de overloop en zijn deken was te zwaar om mee te slepen. Teleurgesteld gaat hij toch maar terug zijn bed. Het duurt nog wel even voordat hij weer warm is en in slaap kan vallen. Maar om zichzelf te vermaken verzint hij verhaaltjes over wat de visite allemaal te vertellen heeft. Over hoe ze bergen beklommen hebben, en door de woestijn gereisd zijn, en over alle woeste avonturen die ze onderweg beleefd hebben. En met die woeste verhalen in zijn hoofd valt Rik in slaap.

25 januari – De hooischuur

Het is zaterdag en Rik verveelt zich een beetje. Eerst rommelt hij binnen maar wat, maar mama ergert zich al snel aan zijn gehang en omdat het buiten best mooi weer is, stuurt ze hem naar buiten. En Rak stuurt ze achter hem aan.

Buiten loopt Rik maar wat in de rondte. Ze rennen wat achter de eendjes aan. Stampen in de laatste restjes sneeuw. Maar als dat gedaan is, weet Rik nog steeds niet zo goed wat hij moet doen. Intussen is hij bij het erf van de buurman aangekomen. Door het raam ziet hij de buurman en hij zwaait. De buurman zwaait terug en loopt dan naar de deur. “Môge, Rik. Verveel je je?” Rik groet terug en antwoord dat hij inderdaad niet weet wat hij moet doen. “Nou,” zegt de buurman, “als je me zo even helpt in de hooischuur, dan kan ik daar voor daarna nog wel een touw ophangen. Hans is er altijd gek op om door de hooischuur te slingeren.” Slingeren door de hooischuur? Dat klinkt gaaf. Rik zegt snel dat hij best wel helpen wil.

In de hooischuur laadt de buurman wat strobalen op een kruiwagen en samen gaan ze naar de geitenstal. Het stro van de geiten moet weer verschoond worden. Het duurt best lang, maar Rik werkt hard mee en de tijd gaat snel. Rak kan niet echt helpen, maar is al snel vrienden met de geitjes en vermaakt zich ook prima. Als het werk klaar is, voert de buurman eerst nog even de geiten. Rik weet nog van de vorige keer hoe de waterbak schoongemaakt moet worden en vraagt aan de buurman of hij dat moet doen. “Wat goed dat je dat nog weet, ja hoor jij mag de watertrog schoonmaken,” zegt de buurman. Watertrog, wat een grappig woord is dat. Hij draait de kraan open om het water weg te laten lopen. Nu weet hij dat hij daar niet op hoeft te letten en loopt gewoon weg om de slang te gaan halen. Als hij terugkomt met de slang ziet hij een van de geitjes lebberen aan het kraantje. Het geeft een vreselijk waterballet maar het is wel leuk om te zien. Als de buurman omkijkt moet hij ook vreselijk lachen. “Haha, jaag hem maar weer weg.” Rik duwt het geitje weg, maar dat is best sterk. Gelukkig is de bak bijna leeg en als er geen water meer komt, gaat het geitje vanzelf mekkerend weg. Als het geitje weg is, pakt Rik een borstel en maakt de bak schoon. Dan draait hij de kraan weer dicht en vult de bak.

Als ze klaar zijn volgt Rik de buurman weer terug naar de hooischuur. Rak vindt de geitjes wel interessant en aangezien ze het goed met elkaar kunnen vinden, vindt de buurman het goed als hij bij de geitjes blijft. De buurman controleert eerst dat er voldoende hooi- en strobalen onder aan de zolder liggen en klimt dan het trapje op naar de zolder en haalt daar een touw te voorschijn dat aan de nokbalk vastgeknoopt zit. Dan laat hij Rik zien wat de bedoeling is. “Kijk, je houdt het touw goed vast, je neemt een aanloop en dan slinger je van de zolder af en laatje los als je boven de strobalen hangt.” En met een geweldige kreet laat de buurman zich van de zolder af slingeren. Rik schrikt zich een hoedje. De buurman is ten slotte al best oud. Hij kan best wat breken. Maar de buurman staat al weer op en stuurt Rik de zolder op. “Nou jij!” Rik weet eigenlijk niet zo goed of hij wel durft. Maar ja, als hij het niet probeert, dan zal hij nooit weten of hij wel durft. En dus klimt hij de ladder op naar de zolder. De buurman reikt hem het touw in. Het touw is namelijk zo lang dat het tot de grond komt. Rik pakt het touw vast, neemt een aanloop en springt van de zolder af. “En nu loslaten!” klinkt er van beneden. Rik laat los en vliegt met een grote boog zo de hooibalen in. Het gaat zo hard dat hij helemaal een kriebelgevoel in zijn buik krijgt. Beneden springt hij weer overeind en roept: “Nog een keer!” “Dat dacht ik al,” zegt de buurman. Dit keer gaat Rik een stuk sneller de ladder op. Gillend van plezier laat hij zich weer naar beneden storten. Dan komt Rak opeens om de hoek kijken. “Hee Rak, hoe kom jij nou hier?” vraagt de buurman een beetje bezorgd. Wacht even Rik, ik moet eerst even kijken of de geiten niet ook ontsnapt zijn.” Rik loopt bezorgd achter de buurman aan. “Krijg nou wat, alle geiten zijn nog binnen en de stal is gewoon weer dicht? Hoe heb je dat nou weer voor elkaar gekregen ouwe rakker?” vraagt de buurman verwonderd aan Rak. Rak staat er een beetje trots bij te kijken. Met zijn drieen lopen ze weer terug naar de hooischuur. Rak pakt meteen het touw beet en loopt naar voren, zodat het touw tegen de zolder aanhangt. “Zo, dus dat spelletje ken je ook al? Nou dan kan ik jullie twee wel alleen laten.” En met die woorden en een zwaai loopt de buurman de schuur uit. De rest van de middag zwaait Rik zich van de zolder af. Na een paar keer springen wil Rak ook. Met grote sprongen springt hij de ladder op. Die staat maar net schuin genoeg voor hem om er op te kunnen rennen. Gelukkig zit de ladder vastgespijkerd, want anders was hij vast omgevallen onder Rak zijn gewicht. Rak pakt niet eens het touw vast hij neemt gewoon een aanloop en springt zo naar beneden. En dus gaan ze om beurten. Tegen vijf uur komt mama hun zoeken. Rik speelt wel vaker bij de buurman, dus als ze hem buiten niet ziet, dan is dat altijd de eerste plaats waar ze hem zoekt. Samen met de buurman komt ze de schuur ingelopen net als Rak zich weer eens van de zolder afstort. Mama had dat niet verwacht en slaakt een gilletje van schrik. Rik staat al te wachten met het touw in zijn handen: “Hoi mam, wacht even, ik kom er aan.” En ook hij slingert zich van de zolder af. Mama weet niet zo goed wat ze er mee aan moet: “En jij vond dat goed?” vraagt ze geschrokken aan de buurman. “Tuurlijk,” zegt deze met een grijns, “Ik heb het ze zelf voorgedaan. Wil je ook een keer?” Maar mama durft niet en dus gaan ze allemaal weer naar huis om te eten.

26 januari – de strandwandeling

Tijdens het ontbijt zegt papa opeens: “Weet je waar ik zin in heb? Een strandwandeling. Het is hartstikke mooi weer.” Mama vindt het ook een goed idee, en dus krijgt iedereen na het eten stevige schoenen aan en een sjaal om. Rik heeft nog niet zulke stevige schoenen en dus doet mama hem zijn laarzen aan, dan kan hij in ieder geval geen natte voeten krijgen. Als iedereen is aangekleed, stappen ze in de auto naar het strand. Op het strand rennen Rik en Rak meteen naar het water. Met zijn tweeen doen ze een spelletje wie het dichtste bij het water kan komen zonder natte voeten te krijgen. Samen rennen ze steeds heen en weer. Wegrennen voor de golven als ze het strand op komen rollen en er achteraan rennen als ze weer wegrollen. Regelmatig springen ze te laat weg en krijgen ze natte voeten. Nou ja, Rak dan, want Rik heeft zijn laarzen aan, dus echt nat worden zijn voeten niet. Terwijl ze heen en weer rennen, moeten ze ook papa en mama in de gaten houden, want die lopen over het strand. Samen maken Rik en Rak een soort van zigzag, waarbij ze tot heel dicht bij het water lopen, wachten op de golf, wegspringen en dan een stuk achter papa en mama aanrennen en dan weer tot heel dicht bij het water lopen. Als papa en mama toch te ver weg dreigen te raken rennen ze snel achter ze aan. Rak krijgt een beetje koude poten, dus hij heeft de golven wel gezien. Wat hij nu veel interessanter vindt zijn de meeuwen die verderop zitten. Achtervolgd door Rik rent hij er heen, maar lang voordat hij ook maar in de buurt komt vliegen de meeuwen al op. Rak kijkt een beetje verbaasd op en blaft wat tegen de meeuwen. Dan rent hij weer terug naar papa en mama. Waar de meeuwen zaten was het zand niet meer zo mooi hard als vlak bij de zee, dus Rik begint een beetje moe te worden. Gelukkig is hij al een stukje verder dan papa en mama en dus loopt hij weer terug naar de zee. Want daar komen ze vanzelf ook langs. Onderweg ziet hij allemaal mooie schelpjes. Hele grote, maar die zijn bijna allemaal stuk. En donkerblauwe, waarvan er een hele hoop aan elkaar vast zitten. En langwerpige, die heel erg lang zijn en zijkanten hebben die bijna een rechte lijn zijn. En sommige daarvan zitten ook nog aan elkaar vast. En hij ziet bruine, en gele en witte en heel af en toe ook een roze. De allermooiste schelpjes pakt hij op. Als mama langskomt laat hij zijn schelpjes zien. Mama bewondert ze stuk voor stuk. “Zal ik ze voor je vasthouden? Dan kun je nieuwe zoeken?” mama heeft zelfs een plastic zakje meegenomen om de schelpen in te doen. “Ik verzamelde vroeger ook altijd schelpen op het strand. We kunnen zelfs thuis een soort van ministrand kunstwerk maken.” Dat vindt Rik wel een goed idee en enthousiast rent hij weer vooruit om meer schelpen te zoeken. Rak is intussen weer met de golven aan het spelen. Maar dan begint hij opeens te janken. Geschrokken rennen ze met zijn drieen op hem af. Wat is er gebeurd? Als ze bij hem komen zien ze het. Rak is op een kwal gestapt. Rik heeft nog nooit eerder een kwal gezien. Mama waarschuwt hem om er niet aan te komen, want een kwal kan steken, bijna net zo als een brandnetel. Rik kijkt wel uit, brandnetels kunnen heel gemeen prikken, en het duurt altijd best lang voordat het dan weer stopt met prikken. Rak blaft nog eens boos naar de kwal en dan lopen ze weer door. Iets verderop is een strandtent en er zitten een paar mensen op het terrasje. Papa en mama vertellen Rik dat ze daar heen gaan. Rik hoopt dat ze warme chocolademelk hebben, want hij heeft het toch wel een beetje koud gekregen. Niet heel erg koud, maar koud genoeg om zin te hebben in warme choco. Snel rent hij naar de strandtent met Rak. Hij snapt eigenlijk niet zo goed waarom het een tent heet. Het gebouw is gemaakt van hout, helemaal niet van tentdoek. Als papa en mama ook aankomen vraagt hij het. Papa vertelt dat tent ook een ander woord is voor gebouw. Rik vindt het nog steeds gek. Als het een gebouw is, dan noem je het toch gewoon gebouw. Maar hij moet toegeven dat strandtent beter klinkt dan strandgebouw. Gelukkig kan je ook binnen zitten en is het niet zo druk. Helaas mag Rak niet mee naar binnen. En dus doet papa hem zijn riem om en bindt hem vast aan de poot van de strandtent. “Sorry, Rak, ze houden hier niet van honden. Kun je hier even op ons wachten?” Rak kijkt een beetje droevig, maar besluit dan dat ze vast snel weer terug komen en dat hij dan weer mag rennen.

Er is nog een tafeltje bij het raam vrij en papa en mama bestellen koffie met appelgebak voor zichzelf en een warme chocolademelk voor Rik. Rik weet dat hij zo'n hele punt taart toch nooit op krijgt en neemt dus genoegen met stukjes van de taart van papa en mama. De chocolademelk is lekker warm en zoet en de taart is ook nog een beetje warm. Met lekker grote stukken appel en zelfs een paar nootjes. Als alles op is wandelen ze over het strand weer terug.

Weer thuis heeft mama een mooie grote schaal voor Rik om al zijn schelpen op te leggen.

27 januari – een nieuwe klasgenoot

Als Rik 's ochtends op school komt ziet hij een kindje dat hij nog niet kent. Het is een meisje en ze heeft een donkere huidskleur. Bij Rik op school zitten niet zo veel kinderen die niet wit zijn. En dit meisje is wel heel erg donkerbruin. Nieuwsgierig stapt hij op haar af en stelt zich voor: “Hallo, ik ben Rik. Wie ben jij?” “Ik ben Malena,” zegt het meisje. “Malena, wat een bijzondere naam. Waar kom je vandaan?” Rik heeft van mama geleerd dat hij nooit rare naam mag zeggen, omdat mensen hun naam niet zelf gekozen hebben. “Ik ben dit weekend in het dorp komen wonen,” ontwijkt Malena de vraag. Rik is nog steeds erg nieuwsgierig, maar als ze niet wil antwoorden, dan zal ze wel een reden hebben. “Ken je al meer mensen hier? Anders kan ik je wel voorstellen aan een paar mensen.” Rik ziet dat Bram en Marieke inmiddels ook het schoolplein op gekomen zijn. Als ze niet meteen antwoord sleept hij haar mee naar Bram en Marieke. “Hoi Bram! Hoi Marieke! Dit is Malena en ze is hier net nieuw.” Malena wordt een beetje verlegen, maar Bram en Marieke zijn aardig. “Hoi Malena,” roepen ze bijna in koor. “Welkom op onze school,” zegt Marieke. Dan gaat de bel en met zijn vieren lopen ze naar binnen. De juf wist al dat Malena zou komen en is blij dat Rik en zijn vrienden haar al op sleeptouw genomen hebben. Zo'n eerste dag op een nieuwe school kan best eng zijn. Als iedereen binnen is, vertelt de juf ook aan alle andere kinderen dat er een nieuwe klasgenoot is. Ze vertelt dat iedereen zijn stoeltje op moet pakken en in de kring moet gaan zitten, dan kunnen ze een voorstelrondje doen. Malena is in de kring tussen Rik en Marieke in gaan zitten. Ze is best heel blij dat ze niet voor de klas hoeft te gaan staan om zich voor te stellen. Een voor een laat de juf alle kinderen hun naam opzeggen. En omdat de juf best snapt dat het best moeilijk is voor Malena om alle namen te onthouden gaan ze een namenspelletje doen. De kinderen roepen allemaal enthousiast “Krantenmep!”, maar de juf kiest het telefoonspel. Daarbij moet je een naam noemen aan de andere kant van de kring en dan moet iedereen elkaars handen vasthouden zodat je een kring vormt. Degene die aan de beurt is moet dan een kneepje aan een van beide kanten geven en dat moet doorgegegeven worden. Als degene met wie contact gezocht wordt een kneepje voelt, dan moet hij contact roepen. Intussen staat er iemand midden in de kring die probeert de verbinding te vinden. Als die persoon ergens een kneepje ziet dan is degene die kneep af en moet die in het midden gaan staan en begint het spel opnieuw. Malena mag als eerste contact maken en Bram mag in het midden staan. Malena heeft de naam Erik nog onthouden en hoewel ze niet meer precies weet wie dat was roept ze dat ze contact zoekt met Erik. Als Bram even omkijkt om te kijken waar Erik staat, knijpt Malena gauw in Marieke haar hand. Die geeft het kneepje gauw door en als Bram weer terug kijkt om te zien of ze gaan beginnen is het telefoontje al ver onderweg. Net als Bram begint te twijfelen of hij misschien al iets gemist heeft, roept Erik “Contact!” En zo gaat het spelletje nog even door. Diverse namen worden genoemd en diverse kinderen staan in het midden en langzaam leert Malena de meeste namen kennen.

Na het telefoonspel gaan ze buiten spelen. Stand-in-de-mand, nog zo'n namenspelletje. Malena wordt vaak uitgekozen en roept dan maar een naam die ze al eerder heeft gehoord, ook als ze niet precies weet wie dat is. Ze probeert dan wel op te letten wie er aan komt rennen, zodat ze wel te weten komt wie er bij de naam hoort. Als de ochtend voorbij is, weet Malena de namen net zo goed als alle anderen.

Als het tijd is om naar huis te gaan om te eten, wordt Malena opgehaald door haar moeder. “Hee,” zegt Rik, “jouw mama is net zo wit als de mijne. Kunnen zulke witte mama's zulke donkere kindjes krijgen?” “Nee,” zegt Malena, “Ik ben geadopteerd. Tot vanmiddag!” En vrolijk huppelt ze weg. Rik blijft verbaasd achter. Als zijn moeder even later ook aan komt lopen vraagt hij haar wat geadopteerd betekent. Mama legt uit dat Malena's echte moeder dan niet goed voor haar kon zorgen en haar afgestaan heeft aan mensen die dat wel kunnen. “Oh,” zegt Rik, “dus daarom is Malena's mama wit, terwijl Malena donkerbruin is.” “Ja, Malena's echte mama is waarschijnlijk net zo donker als Malena zelf. In bijvoorbeeld Afrika wonen heel veel mensen die niet genoeg te eten hebben om al hun kindjes te eten te geven. Soms laten die mensen hun kindje dan achter bij een weeshuis, waar ze weten dat er beter voor hun kindje gezorgd wordt.” Daar moet Rik toch even over nadenken. “Maar zien ze hun kindje dan nooit meer?” “Nee, sommige mama's zien hun kindje dan nooit weer.” Dat vindt Rik toch best wel erg. Mama ziet zijn bezorgde blik en begint gauw over iets anders, omdat dit toch best een moeilijk onderwerp is.

Na de lunch vraagt Rik aan Malena of ze haar echte moeder zich nog kan herinneren. Malena vertelt dat ze nog maar een babytje was toen ze geadopteerd werd en dat ze zich er dus helemaal niets van kan herinneren. Maar dat ze nu een hele lieve nieuwe papa en mama heeft die goed voor haar zorgen. Maar later als ze groot is, dan gaat ze misschien nog eens op zoek naar haar echte papa en mama. Dan heeft ze er genoeg van en spelen ze tikkertje op het schoolplein tot de les begint.

28 januari – ziek

Rik wordt wakker met keelpijn. “Mama, mijn keel doet zeer,” piept Rik. “Oei, ik hoor het. Je ziet er ook niet echt lekker uit. Ik zal eerst eens je temperatuur opmeten.” Mama pakt de thermometer en houdt die in Rik zijn oor. “Hmm, je hebt een klein beetje verhoging. Zal ik maar gewoon even de school bellen dat je vandaag ziek thuisblijft?” Rik voelt zich niet zo geweldig en knikt. School is leuk, maar niet als je je ziek voelt. Mama stopt Rik weer in bed en belt de juf dat Rik niet komt vandaag. Even later komt mama even kijken, Rik is nog wakker, maar wel moe. “Rik ik ga een boodschapje doen om wat voor je keel te halen.” “Dropjes?” vraagt Rik hoopvol. Mama lacht, “Ja die ook.” Rik is gek op dropjes. Mama gaat haar boodschappen doen en Rik valt weer in slaap. Als Rik weer wakker wordt, doet zijn keel nog steeds pijn. Hij stapt uit bed en gaat een glaasje water halen in de badkamer. Hij drinkt een paar slokjes. Slikken doet pijn, maar het koude water voelt toch wel prettig aan zijn keel. Dan hoort hij beneden mama al weer. Mama hoort hem ook en komt naar boven. “Ben je weer wakker? Ik heb een drankje en dropjes voor je keel. Wil je beneden op de bank liggen. Beneden op de bank is gezelliger dan boven op bed, dus Rik knikt. “Nou doe dan maar gauw je pantoffels en je ochtendjas aan, dan neem ik je deken mee naar beneden. Rik loopt achter mama aan naar beneden. Rak kijkt hem aan met een blik die wel medelijden lijkt te hebben. Rik gaat op de bank liggen en Rak gaat er naast zitten. Mama legt de deken over hem heen en gaat het drankje voor zijn keel halen. Het drankje smaakt gelukkig lekker, want anders had Rik gewoon alleen dropjes gegeten. Die zijn ook goed voor je keel en ook nog lekker. Mama heeft ook een glas melk voor hem en een broodje. Rik heeft niet zo erg honger, maar eet het broodje toch maar op. Alles wat langs zijn keel gaat maakt de keelpijn minder. Rak zet de televisie aan, want hij weet dat Rik dat leuk vindt om naar te kijken. Hij kan zelfs de afstandsbediening brengen. Rik zapt een beetje langs de zenders met tekenfilmpjes, maar eigenlijk is er niets op de televisie. Mama komt langs en stopt een DVD in de DVD-speler. Rik is blij dat ze leuke DVD's hebben.

Mama blijft de hele dag Rik zijn beker vullen. Met melk, met limonade en met thee. 's middags eet Rik nog twee broodjes en dan heeft hij geen zin meer in tv kijken. Hij zet de tv uit met de afstandsbediening en doet dan zijn ogen dicht. Van ziek zijn wordt je moe. Als hij wakker wordt krijgt hij nog een drankje, een glas melk en een dropje. Eindelijk een dropje. Rik besluit dat als hij later groot is dat hij een grote zak drop laat halen als hij ziek is, die hij dan helemaal alleen mag leegeten. Zo veel dropjes als hij maar wil. Maar dat mama steeds drinken voor hem haalt helpt ook al. Rik verveelt zich. Hij kan niet meer slapen en in tv kijken heeft hij ook geen zin. Rak snapt het probleem en gaat op zoek naar de oplossing. Na een paar minuutjes komt hij terug met het dominospel. “Haha, uche, uche,” kucht Rik, “Wil je domino met me spelen? Nou vooruit dan maar.” Rak duwt de tafel dichterbij zodat Rik er vanaf de bank bij kan. Hij kan het doosje niet openkrijgen, maar dat kan Rik wel. Rik legt de steentjes op tafel. Rak kan geen steenjes omdraaien, maar hij kan wel het steentje selecteren dat hij aan wil leggen. Rik helpt hem met de dingen die hij zonder vingers niet zo goed kan. Als Rak niet meer kan aanleggen, dan pakt hij een steentje voor hem en draait hem om.

Als mama weer langskomt kijkt ze verbaasd naar het spel. “Is er dan niets wat die hond niet kan?” mompelt ze terwijl ze weer naar boven loopt om een was te doen.

Rik en Rak hebben een paar spelletjes domino gedaan, maar Rik wordt weer moe. Rak gaat geduldig naast hem zitten en Rik valt weer in slaap. En zo gaat langzaam de middag voorbij. Rik kijkt nog wat televisie voor het eten.

Mama maakt lekkere zoute nasi voor hem, want als je verkouden bent, dan kan je niet zo veel meer proeven. Na het eten luistert Rik nog even naar papa en mama die elkaar over hun dag vertellen, maar moet dan toch naar bed van mama. “Zieke kindertjes moeten vroeg naar bed, anders worden ze niet beter!” Hij krijgt nog een dropje, en dan moet hij zijn tandjes poetsen. Mama brengt zijn deken naar boven en zet nog een glas water op zijn nachtkastje. Ze haalt ook nog een oud nachtlampje uit de kast. Niet omdat hij bang is in het donker, maar zodat hij het glas makkelijk kan vinden zonder een lampje aan te hoeven doen. Eerst kan Rik niet slapen, maar dan valt hij toch in slaap. Die nacht wordt hij nog vaak wakker, maar mama heeft hem geleerd dat hij dan toch echt nog in bed moet blijven liggen. En dus blijft hij braaf liggen. Af en toe, als hij wakker wordt omdat zijn keel heel erg zeer doet, neemt hij nog een slokje water.

29 januari – nog steeds ziek

Maar dan is het eindelijk weer ochtend. Rik mag weer uit bed. Zijn keel voelt al een stuk beter. Maar als hij zijn bed uitstapt om te gaan plassen moet hij vreselijk niesen. “Hatsjoe! Hatsjie!” Papa komt helemaal kijken wat er aan de hand is. “Hee man, ben je al een beetje beter?” “Nee, mijn keel doet al minder zeer, maar nu moet ik niesen.” Rik gaat gauw naar de wc, want van al dat niesen, moet hij nog nodiger plassen. Op de wc snuit hij ook meteen zijn neus. Dat helpt heel even. Maar als hij er weer uitgaat, moet hij alweer niesen. Mama is nu ook wakker. “Oei, je bent nog niet beter hoor ik. Moet je nu ook al niesen. Het zit je ook niet mee.” Rik heeft besloten om mama nog niet te vertellen dat zijn keel al een beetje beter is, want anders mag hij straks geen dropjes meer. En dus ligt hij die dag weer op de bank. Naast de limonade, melk en thee staat er nu ook een doos met tissues op tafel en een prullenbak tussen de bank en de tafel, waar hij de vieze zakdoekjes in kan doen. Mama heeft nu ook een zak mandarijnen gehaald. Die vindt Rik ook wel lekker. En mama zegt dat de vitamientjes die er in zitten ook goed helpen tegen ziek zijn. En dus mag Rik lekker veel mandarijntjes eten, nog meer dan hij dropjes mag eten.

's Ochtends kijkt hij weer tv. Hij kijkt oude DVD's die hij al tien keer gezien heeft, maar ze blijven nog steeds leuk. Hij kijkt Jungle Boek met Mowgli, Baloe en Shere Khan. Daarna doet hij even een tukje, en dan kijkt hij Aladin. Iago vindt hij niet aardig, maar Abu en de geest vindt hij geweldig.

Dan is het al weer lunchtijd. Hij eet twee broodjes en nog een mandarijn en drinkt twee koppen thee met suiker. Na het eten is hij weer moe en gaat weer slapen.

De hele dag moet hij niesen. Niesen is nog vermoeiender dan een zere keel hebben. Hij moet zoveel niesen dat zijn keel alweer zeer gaat doen. Van mama moet hij nu ook een neusspray gebruiken, maar dat is vervelend. Rik houdt niet van neusspray. Maar ja, mama zegt dat je er beter van wordt en ziek zijn is nog vervelender.

Rak komt aan met de dominostenen, maar Rik heeft er geen zin in. Hij blijft ziekjes op de bank liggen. Mama stopt er nog maar een DVD in, Assenpoester. Rik is niet zo gek op Assenpoester, maar hij kent het verhaal al en hoeft er niet zo bij na te denken. Dus is het een prima film voor als je ziek bent. Rik vindt vooral de muisjes erg leuk. De vogeltjes zijn ook wel okay, maar hij houdt meer van muisjes. Halverwege de film dut hij weer weg. Als hij wakker wordt is de film al weer bijna voorbij.

Op tafel staat een glas limonade dat hij leeg drinkt. Doordat hij daarvoor overeind is gekomen moet hij weer niesen. Hij snuit nog maar eens zijn neus. Mama komt aan met een dropje en zijn vijfde mandarijn. Rik verveelt zich stierlijk. Hij heeft geen zin meer in slapen, of tv kijken. Voor spelletjes spelen is hij te moe. Mama weet ook niet zo goed wat hij anders kan doen en besluit om dan maar een voorleesboek voor hem te halen. Het is een Pinkeltje boek. Pinkeltje en de vurige ogen. Het is het boek wat mama de laatste dagen heeft voorgelezen voor het slapen gaan. Ze zijn al zo ver dat ze gelezen hebben hoe Pinkeltje het ondergrondse standbeeld vond, en dat de ogen missen. En dus leest mama verder over hoe Pinkeltje op zoek gaat naar de ogen. En hoe hij een hele onderaardse stad vindt, waarin mensen met hele grote ogen wonen. Mama leest voor totdat Rik weer in slaap valt. Het boek legt ze dan op tafel. Ze pakt voor zichzelf nog een kopje met koffie, want van voorlezen krijg je een droge keel. Voor Rik zet ze nog een beker limonade klaar en dan gaat ze weer verder met de was opvouwen. Rik droomt dat hij zelf in de onderaardse stad is en dat hij moet proberen de vurige ogen terug te krijgen. Alleen zijn de mannetjes onder de grond helemaal niet zo aardig tegen hem als dat ze tegen Pinkeltje waren. Ze jagen hem terug door de gangen, weer helemaal tot boven de grond. Dan wordt Rik weer wakker. Mama is niet in de kamer en dus vertelt hij Rak wat hij gedroomd heeft. Als mama zijn stem hoort komt ze weer even kijken “Mama, kun je mijn kleurdoos en wat papier pakken? Dan ga ik wel tekenen, ik heb niet meer zo'n zin in tv kijken.” Even later komt mama weer terug met zijn kleurdoos en een kladblok. Rik tekent het grote gouden beeld met de holle ogen. Op zijn tekening wordt het beeld natuurlijk geel, want een gouden potlood heeft hij niet. De ogen kleurt hij zwart, zodat je kan zien dat het gaten zijn. Hij doet zijn best om met zijn donkerbruine potlood een soort grot om het beeld heen te tekenen. Hij tekent ook de ladders en touwen en gereedschap van Pinkeltje en zijn vrienden. Als laatste tekent hij Pinkeltje zelf. Hij is nog niet helemaal klaar met de tekening, maar het is tijd voor het avondeten. Papa is weer thuis gekomen en met zijn drieen zitten ze op de bank met hun bord op schoot, zodat Rik niet van de bank af hoeft om aan tafel te komen zitten. Na het eten gaat Rik nog even verder met zijn tekening, maar dan moet hij weer naar bed. Hij hoopt echt dat hij de volgende dag beter is. Want nog een dag je zo naar voelen, daar heeft hij geen zin in.

30 januari – weer beter

De volgende dag voelt Rik zich weer een stuk beter. Hij hoeft niet meer zo vreselijk te niesen, en mama zegt dat zijn koorts ook helemaal weg is. Eigenlijk wil mama Rik nog een dag thuishouden, maar Rik bedelt net zo lang tot hij wee r naar school mag. Hij heeft helemaal geen zin meer in nog een dag ziek thuis zitten. “Ik heb alleen nog maar een snotneus mama, verder niks. En voor een snotneus heb je alleen maar zakdoekjes nodig, die kan ik mee naar school nemen. Als het toch niet goed gaat, dan blijf ik gewoon vanmiddag weer thuis.” Mama moet wel lachen om zijn gretigheid, “De meeste mensen zouden graag nog een dagje van school thuisblijven, zodat ze lekker kunnen luieren. Spelletjes doen en met de lego spelen. Maar als jij zo graag naar school witl, vooruit dan maar.” Snel gaat Rik zich wassen en aankleden, hij wil niet te laat komen.

Na het ontbijt brengt mama hem naar school. Ze houdt Rik goed in de gaten of de wandeling hem niet uitput, maar Rik lijkt weer vol energie te zitten. En dus laat ze hem op school achter. Ze heeft nog wel even de juf gewaarschuwd dat hij misschien nog niet helemaal beter is.

Rik is intussen al naar Bram gerend. “Hoi Bram! Ik ben weer beter.” “Hoi Rik! Er zijn best veel kinderen ziek. Lieke was ziek, en Erik ook,” antwoordt Bram hem. Als de bel gaat, lopen ze samen naar binnen. Marieke hebben ze nog niet gezien. En inderdaad vertelt de juf dat die vandaag ook ziek is. Die dag doen ze spelletjes die met ziek zijn te maken hebben. Ze maken een tekening over het ziekenhuis, spelen doktertje in de poppenhoek. En aan het eind van de ochten vinden ze het spel Dokter Bibber in de spellenhoek. Daar zijn ze best een tijdje mee zoet. Bij dat spel moet je allemaal organen uit een patient halen, zonder dat je de rest van zijn lijf aanraakt. Dat is nog best moeilijk. Vooral het hart is erg moeilijk. “Maar ja,” zegt Bram, “dat is in het echt natuurlijk ook het moeilijkste.”

Rik doet vooral de wat rustiger spelletjes mee, maar laat niet aan mama merken dat hij best een beetje moe is. Mama heeft het natuurlijk wel door, maar zegt er niets van. Rik eet netjes zijn boterhammen op tijdens de lunch en ook nog een mandarijn.

Terug op school speelt hij weer met Bram. Ze missen Marieke toch best wel. De juf laat hen weer wat vrij spelen, omdat niet alle kinderen helemaal gezond zijn en dus niet zo lang kunnen rennen dat de hele middag buitenspelen een goed idee is. Rik en Bram willen eigenlijk weer met Dokter Bibber spelen, maar daar is een ander kindje al mee aan het spelen, dus dat kan niet. Rik bedenkt het idee om een beterschapskaart voor Marieke te maken. Bram vindt dat een goed idee, en dus gaan ze naar de juf om papier, schaar en lijm te vragen. De juf vindt het meestal niet goed als een klein groepje kinderen wil knutselen, maar dit vindt ze zo lief bedacht dat het mag. Rik en Bram kiezen allebei een mooi stuk karton en knippen er een rechthoekige kaart van. Bram kiest er voor om een plaatje van een bed op de voorkant te maken en Rik kiest voor een bos bloemen. Hij knipt bloemen uit allerlei kleuren en plakt ze op de groene kaart die hij gemaakt had. Dan tekent hij met een zwarte stift blaadjes en steeltjes en vraagt de juf om er 'van harte beterschap' boven te zetten. Op de achterkant schrijft hij zijn eigen naam. Bram heeft intussen een bruin bed geknipt en geplakt met daarop witte dekens en een wit kussen. Op het kussen ligt een hoofd met gele lange haren. Meer dan een hoofd kun je niet zien, want de deken zit tegen de kin aan. Rik vindt Bram zijn kaart ook wel mooi.

's Middags uit school staan mama en Bram zijn mama hun al op te wachten. Bram weet wel waar Marieke woont en ze vragen hun moeders of ze even om kunnen lopen langs Mariekes huis om de kaarten op de bus te doen. Mama vindt het goed, want ze moest toch nog een boodschap doen. Bram zijn moeder moest eigenlijk weg, maar vindt het zo lief van de jongens dat ze zegt dat dat nog wel heel even wachten kan, maar dat ze dan wel moeten opschieten. De jongens rennen bijna naar Marieke's huis. De twee moeders volgen iets langzamer. Bij Marieke's huis aangekomen doen de twee jongens de kaarten in de bus en zwaaien nog even naar Marieke's moeder die net uit het raam kijkt. Nog voordat hun eigen moeders aangekomen zijn, zijn ze al weer teruggerend. Hun moeders moeten wel lachen. “Maar mama, we moesten toch opschieten? Nou dat hebben we gedaan. Dus nu kunnen we naar huis, zoals jij wilde.” Nu moet Bram zijn moeder nog harder lachen. “Zo'n wildebras als je bent, je bent wel lief.” De twee moeders nemen afscheid en dan gaan ze allebei een andere kant op. “Doeg Bram! Tot morgen!” roept Rik zijn vriend nog achterna. “Doei Rik!” hoort hij uit de verte. Bram en zijn moeder hebben er flink de pas in. Een stuk langzamer dan eerst lopen Rik en mama naar huis. Rik is best een beetje moe van het harde rennen. Maar voordat ze echt naar huis gaan, lopen ze eerst nog even langs de drogist, want mama had nog wat spulletjes nodig. Thuis komt Rak hun enthousiast tegemoet, blij dat Rik weer op de been is. Als Rik op de bank ploft om te wachten tot het etenstijd is, komt Rak weer met het dominospel aanzetten. Rik moet wel lachen, “Vond je dat zo'n leuk spel, Rak? Nou goed hoor, dan spelen we het nog even voor het eten.” Rak wint met gemak het spel en nog een keer. Dan wordt Rik gered van een derde nederlaag doordat hij moet eten. “Sorry jongen, maar je hebt me al grondig genoeg verslagen.”

Als mama Rik al snel na het eten naar bed stuurt, protesteert hij geen eens. Hij is best moe.

31 januari – Eten bij de Burger King

Mama heeft geen zin in koken, dus stelt papa voor dat ze wel een keertje bij de Burger King kunnen gaan eten. Rik juicht, hamburger met patatjes! Dat lust hij wel elke dag. En je krijgt er ook nog altijd zo'n leuk speeltje bij. Mama vindt het goed en ze stappen in de auto.

Bij de Burger Kind mag Rik kiezen tussen een hamburger en kip nuggets. Dat is al een best moeilijke keuze. Hij kiest voor de kip nuggets en wordt meteen voor de volgende keuze gesteld: gewone franse frietjes of twister fries. Die is niet zo moeilijk, want de twister fries zijn veel lekkerder dan gewone frietjes. Er zitten een soort van kruiden op die veel lekkerder zijn dan het gewone zout op de franse frietjes. Om te drinken kan hij kiezen tussen chocomel en yoki drink. Yoki drink vindt hij niet zo lekker, dus kiest hij voor de chocomel. Eigenlijk had hij liever een milkshake gehad, maar die zijn altijd te groot en je moet ook bijbetalen. Hij mag wel mayonaise van papa. Mama kiest een kipburger met een kleine salade in plaats van frietjes en papa een dubbele whopper met twister fries. Mama wil graag thee bij haar eten en gelukkig mag dat. Papa kiest een milkshake en belooft Rik er een slokje van.

Ze moeten even wachten tot het eten klaar is, en Rik is benieuwd wat voor speeltje er bij zijn kindermenu zal zitten. Op de borden kan hij zien wat de verschillende speeltjes zijn. Er kan een auto inzitten, een vliegtuig, een fiets of een motor. Rik vindt het vliegtuig wel erg gaaf, maar de motor is ook wel leuk. Mama en Rik zoeken vast een tafeltje, zodat ze meteen kunnen eten als het komt. Papa blijft wachten tot het klaar is. Tijdens het wachten kijkt Rik rond of hij andere kinderen ziet om te kijken wat voor speeltje zij hebben. Hij ziet wel wat kinderen, maar die zitten eigenlijk te ver weg om te kunnen zien wat voor speeltje ze hebben. Maar hij ziet ook de ballenbak. “Mama, mag ik na het eten nog even in de ballenbak?” “Zodra je klaar bent met eten mag je in de ballenbak tot papa en ik klaar zijn met eten.” Rik neemt zich voor om snel te eten. Net als hij zich af begint te vragen of hij niet nog even voor het eten kan spelen worden ze geroepen. Hun eten is klaar. Papa loopt met de twee dienbladen naar hun tafeltje en dan kunnen ze eindelijk eten.

Rik zijn maaltijd zit in een vrolijk gekleurde doos met allerlei plaatjes. Er staan ook puzzeltjes op. Als allereerste haalt Rik zijn speeltje er uit. Het is het vliegtuig! Snel haalt hij het uit het plasticje en vliegt er een rondje mee door de lucht.. Daarna geeft hij het aan mama, zodat zij het in haar tas kan stoppen. Dan eet Rik eerst zijn patatjes op, want die koelen altijd het snelst af. Papa en mama eten juist eerst hun burgers op. Maar ja, mama heeft ook een salade, die is niet warm. Als zijn patatjes op zijn eet Rik zijn kipnuggets. Dan zit hij al vol en vraagt of hij zijn drinken mag bewaren voor later. Mama vindt het goed en hij rent meteen naar de ballenbak. Daar zitten al een paar kinderen in, maar ze lijken gelukkig wel aardig. Snel doet hij netjes zijn schoenen uit en zet ze op het plankje waar al meer schoenen op staan. Hij klimt op de glijbaan en glijdt zo het ballenbad in. De andere kinderen spelen verstoppertje onder de ballen en het gaat er best woest aan toe. De ballen vliegen Rik om de oren. Hij klimt gauw het bad weer uit en gaat nog een keer van de glijbaan af. Dan komt er een nieuw kindje de ballenbak in die de oudste van alle kinderen in het ballenbad lijkt te zijn. Al snel heeft hij de leiding en hij besluit dat ze de ballen op kleur moeten sorteren. Dat is heel moeilijk want de ballen glijden natuurlijk allemaal weer door elkaar, maar het is wel leuk om te proberen. Ze gooien alle gele ballen in de ene hoek, de rode in de andere, de blauwe in de derde en de groene ballen in de vierde hoek. Ze zijn nog niet erg ver gekomen als papa en mama klaar zijn met eten. Papa komt Rik halen en moet lachen als hij ziet wat ze aan het doen zijn. “Sorteren? Haha. Kom we moeten weer naar huis, Rik.” Rik zegt de andere kinderen gedag en klimt weer uit het ballenbad. Hij haalt zijn schoenen van de plank en trekt ze weer aan. Papa heeft nog een paar slokjes milkshake voor hem overgelaten. Rik is heel blij, hij was het zelf bijna vergeten! Mama neemt net de laatste hap van haar salade en ze brengen snel de dienbladen weer weg. Rik mag de handel van de prullenbak overhalen zodat hij opengaat en papa de dienbladen er in kan legen. Net als ze alles weggegooid hebben denkt hij aan de chocomel die hij nog niet opgedronken had. “Oh, oh, nu hebben we de chocomel weggegooid, dat is zonde!” Maar gelukkig had mama die al in haar tas gestopt. Als ze weer thuis zijn gaan ze met zijn drieen Rak uitlaten. “Want,” zegt mama, “anders wordt je van al dat vette eten veel te dik.” Rak vindt het wel gezellig zo met zijn viertjes en rent uitgelaten om hen heen. Rik is ook heel blij en uitgelaten. Hij heeft lekker gegeten en ook nog in de ballenbak gespeeld. Het is dat hij te vol zit, maar anders was hij vast rondjes achter Rak aangerend met zijn vliegtuigje!

1 februari – verstoppertje

Hans en zijn ouders zijn weer op bezoek bij de buurman. Hans kwam al meteen naar Rik gerend zodra hij aankwam. Rik was net een boterhammetje aan het eten, dus hij mag nog niet meteen mee, maar hij belooft dat hij snel komt. “En moet jij je opa niet even gedag zeggen?” vraagt mama aan Hans. Met een grijns rent Hans weer weg om even een glaasje limonade te drinken. Als Rik aan komt rennen bij de buurman zitten ze daar net aan de taart. “Wil je ook een gebakje Rik? Het is mijn verjaardag.” zegt de buurman. Rik schrikt: “Maar ik heb helemaal geen cadeautje!” “Nou,” zegt de buurman, “dan hou ik gewoon nog zo'n mooie tekening van je te goed. Is dat afgesproken.” Rik knikt, “Dat beloof ik!” Als de buurman aan komt met een groot stuk appeltaart en een glas limonade, zegt Rik: “Jemig, wat een groot stuk taart! Dat krijg ik nooit op! Van mama krijg ik altijd maar een klein stukje, want anders is het zonde.” “Hmm, daar heeft je moeder dan best een goed punt. Zal ik deze anders even in tweeen snijden?” Dat vindt Rik wel een goed idee, een halve punt is al meer dan groot genoeg. De taart is echt heel erg lekker. Tot Rik zijn verrassing krijgt hij het hele stuk op. “Weet je zeker dat je die andere helft niet ook nog wilt?” vraagt de buurman. “Ja hoor buurman, heel zeker. Het was echt superlekker, maar ik zit nu helemaal vol. Zelfs die laatste rozijn,” Rik wijst naar zijn bordje, “past er niet meer bij!” De buurman moet lachen. “Nou vort maar met jullie, ga maar lekker buiten spelen.” Rik drinkt snel de laatste slok van zijn limonade op. Samen met Hans rent hij naar buiten. “Wat zullen we gaan doen, Hans?” “Ik heb wel zin in verstoppertje spelen,” zegt Hans, “Hier om het erf enzo.” “Oh, dat is leuk, ik doe mee. Mag je ook binnen?” Hans denkt even na, “Ja, dat is goed. Binnen bij jou en binnen bij mijn opa en in de schuur. Ik wil me eerst verstoppen en als jij me dan gevonden hebt, dan mag jij je verstoppen.” Hans wacht geen eens een antwoord af, maar rent meteen weg. “Je moet tot 100 tellen!” roept hij nog. Tot honderd tellen? Maar dat kan Rik nog helemaal niet. Hij telt maar zover als hij komt. “Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, tien, elf, twaalf, ehm..., drietien, en dan ehm... viertien, vijftien, zestien, zeventien, achtien, negentien, twintig! Eenentwintig, Tweeentwintig, drieentwintig, vierentwintig, vijfentwintig, zesentwintig, achtentwintig, negenentwintig...” Wat kwam er ook al weer na negenentwintig? Rik weet het niet meer. Hij denkt nog even na, maar kan er niet op komen. Omdat honderd nog een heel stuk groter is, telt hij nog maar een keer tot negenentwintig. Maar dan is hij het tellen zat en roept heel hard: “Honderd! Ik kom!” Hij rent meteen naar de schuur om te kijken of Hans zich tussen de geiten verstopt heeft. Maar daar zit hij niet. Ook niet op de hooizolder. Als volgende kijkt hij in de huiskamer van de buurman. “Is Hans hier? We doen verstoppertje en ik moet hem zoeken.” “Nee hoor, hier is hij niet,” zegt de buurman, “Maar kijk maar even of hij boven zit of in de keuken. Ik heb hem wel niet horen binnenkomen, maar hij kan erg stil doen als hij wil.” Rik loopt naar de keuken. Hij is er al vaker geweest. Maar ook daar is Hans niet. Dan loopt hij naar boven. Dat is wel een beetje vreemd, om zo maar in de buurman zijn huis naar boven te lopen, zonder dat de buurman erbij is, maar die had gezegd dat het goed was. Rik opent een deur op de overloop. Dat is de badcel, daar is Hans niet. Nog een deur, die opent naar de buurman zijn slaapkamer, daar is Hans ook niet. Rik doet netjes de deur weer dicht. De laatste deur opent naar een logeerkamer. Hij ziet Hans niet en wil net de deur weer dichtdoen als hij iets hoort. Zachtjes doet hij de deur toch weer open en gaat de kamer in. Hij kijkt onder het bed, en achter het bed. Dan kijkt hij in de kast en daar zit Hans. “Ik heb je!” roept Rik blij. “Ja, je hebt me gevonden. Maar het duurde wel lang hoor! Nu mag jij je verstoppen,” zegt Hans. “Zeg, kun jij eigenlijk wel tot honderd tellen?” vraagt Rik. “Ehm, nee, eigenlijk niet,” zegt Hans, “Kan jij het wel dan?” “Nee, ik kan het ook niet. Ik heb net maar twee keer achter elkaar tot negenentwintig geteld,” antwoordt Rik. “Oh, nou dan doe ik dat ook.”

Rik rent snel de kamer uit en de trap af. Hij wil zich eigenlijk in de schuur verstoppen, maar de logeerkamer heeft uitzicht op de schuur. En dus loopt hij om het huis heen en kijkt eerst of hij Hans bij het raam kan zien. Maar Hans is niet te zien, en dus rent Rik snel naar de schuur. Zachtjes doet hij de deur op een kiertje open en snel weer achter zich dicht. Hij klimt de ladder op en verstopt zich achter het stro. Dan gaat hij liggen wachten. Hij hoort de deur van het huis van de buurman open en dicht gaan. Hij hoort ook iemand die rent. Maar de schuurdeur gaat niet open. In de verte hoort hij de deur van zijn eigen huis open en dicht gaan. Maar dan hoort hij niets meer. Het wachten duurt best lang. Uiteindelijk hoort hij de deur nog een keer open en dicht gaan. Maar dan hoort hij ook Rak blaffen. En al heel snel daarna staan Rak en Hans naast hem. “Gevonden!” roept Hans blij. Rik moet wel lachen, “Maar je hebt wel valsgespeeld door Rak te laten zoeken! Zullen we wat te drinken halen? Ik heb best dorst gekregen van al dat zoeken en verstoppen.” Samen gaan ze naar Rik zijn huis om Rak weer terug te brengen. Mama schenkt wat te drinken in en daarna gaan ze samen tekenen, want de buurman heeft nog een tekening tegoed van Rik.

2 februari – winkelen

Rik gaat vandaag met mama winkelen. En ze gaan met de trein heen. Helemaal naar de grote stad. Rik vindt het best een beetje spannend, want hij is nog niet eerder met de trein mee geweest. Zou de trein erg hard gaan? Mama zegt dat de trein niet zo heel erg hard gaat en dat hij vaak moet stoppen om meer mensen mee te nemen.

Ze gaan eerst op de fiets naar het station. Rik zit achterop bij mama. Ze komen lekker vroeg op het station aan, want mama moet nog kaartjes kopen. Een retourtje voor mama en een railrunner voor Rik. Dan moeten ze nog even wachten tot de trein komt. Rik loopt een rondje over het station. Hij kijkt zijn ogen uit. Er staan grote gele borden met heel veel lettertjes en cijfertjes er op. Mama zegt dat je daar op kan zien hoe laat je trein weg gaat en waarheen je kunt. Er zijn ook hele grote reclameborden op het station. En er is een winkeltje. Rik wil eigenlijk wel naar binnen, maar dat mag niet van mama. Door de ramen kan hij zien dat ze er vooral speelgoed en snoep verkopen. “Mama waarom verkopen ze eigenlijk speelgoed en snoep op het station? De meeste mensen in de trein zijn toch grote mensen?” Mama moet lachen, “ja de meeste mensen in de trein zijn volwassen. Maar volwassenen lusten ook graag snoep hoor, en als ze zo veel snoep zien dan kopen ze vaak even wat voor onderweg. En het speelgoed is bedoeld voor mensen die nog gauw even een cadeautje nodig hebben.” Rik denkt dat als hij later groot is en met de trein moet reizen dat hij dan ook wel vaak snoep zal kopen. Snoep is lekker.

Dan komt de trein al en ze stappen snel in. Er zitten al mensen in. Rik gaat bij het raam zitten en mama komt naast hem zitten. Dan gaat de trein rijden. Ze rijden eerst langs allemaal huizen en dan wat sportvelden. Er zijn mensen aan het voetballen. En dan zijn ze al op het volgende station. “Hoe veel stations komen er nog mama? Voordat we moeten uitstappen?” “Nog vijf stations voor het station waar we moeten uitstappen.” De trein gaat weer rijden. Dan komt er een conducteur langs. Mama geeft Rik zijn kaartje, zodat hij het zelf kan laten knippen. “Hee,” zegt Rik als hij zijn kaartje weer terugkrijgt, “er zit een stempel op? Waarom heet het dan knippen?” De conducteur legt uit dat mensen dat nog zo noemen omdat ze vroeger een echte kniptang hadden, die er een gaatje in maakte. “Dus toen was het echt knippen, en iedereen is het zo blijven noemen, ook toen er een stempeltang kwam. Maar er zijn ook mensen die het stempelen noemen hoor.” De conducteur gaat weer verder om de kaartjes van de andere mensen in de trein te stempelen. Rik kijkt weer uit het raam. Nog meer huizen. Dan rijden ze langs een weg. Eerst gaan de auto's sneller, en dan de trein. Maar dan gaat de trein al weer langzamer omdat ze moeten stoppen voor het volgende station. “Nog vier stations, he mama?” Mama knikt, ze leest een krantje die op de bank tegenover hun lag. “Wat staat er allemaal in de krant mama?” “Nou, er staat in wat de politici denken, en...” zegt mama, maar wordt dan door Rik onderbroken: “Wat de politie denkt? Waarom staat er in wat de politie denkt? Die moeten toch gewoon boeven pakken?” mama lacht: “Nee niet de politie, de poli-ti-ci. Dat zijn de grote meneren die het land regeren.” Rik is verbaasd: “Doet de koningin dat niet dan?” “Nee de koningin mag niet meer echt regeren. Die moet vooral bij andere koningen en presidenten op visite. En belangrijke gebouwen openen. Ons land wordt geregeerd door een heleboel mannen en vrouwen die samen alles beslissen. En die mensen worden weer door ons gekozen.” Al pratend vliegen de tijd en de stations voorbij en dan zegt mama opeens dat ze moeten uitstappen. Het station waar ze uitstappen is veel groter dan het station waar ze instapten. Er lopen hier heel veel mensen en er staan en rijden ook heel veel treinen. Rik moet mama's hand vasthouden, want in de stad zijn ook nare mensen die zo maar kleine kindertjes meenemen. Samen lopen ze het station uit. Buiten zijn nog veel meer mensen. Ze moeten een eindje lopen om bij de winkels te komen. Als ze eindelijk in de winkel zijn mag Rik nieuwe kleren uitzoeken. Ze lopen winkel in, winkel uit om leuke broeken en shirts te vinden. Mama koopt ook nog een leuke blouse voor zichzelf die ze tegenkomt en sokken en een overhemd voor papa. Uiteindelijk hebben ze twee broeken en een trui voor Rik gevonden. En ook nog leuke sokken met Bob de Bouwer er op. Als Rik moe wordt van het lopen gaan ze bij de Hema nog even zitten om wat te drinken. Mama zegt dat Rik wel een Jip en Janneke tompoes mag als hij wil. Daar zegt Rik natuurlijk geen nee tegen. Mama neemt een gewone tompoes en samen gaan ze aan een tafeltje zitten smikkelen. Als alles op is lopen ze weer terug naar het station. Nu hoeven ze geen kaartje meer te kopen, want die hebben ze al. De trein staat ook al te wachten, dus ze stappen snel in. Rik is zo moe van al dat wandelen dat hij al in slaap valt nog voordat de trein is gaan rijden. Mama maakt hem wakker als ze uit moeten stappen. Thuis gaat Rik even op de bank liggen om weer bij te komen. Na een kort tukje gaat hij weer vrolijk spelen.

3 februari – Een domme vogel

Rik is net uit school om een broodje te eten als er een grote knal uit de keuken komt. Mama is net in de keuken en geeft een gil van schrik. Rik en Rak rennen snel naar de keuken om te kijken wat er gebeurt is. “Er vloog iets tegen het raam,” zegt mama geschrokken, “en aan de knal te horen was het groot.” mama durft eigenlijk niet zo goed naar buiten te gaan om te kijken. Rik probeert uit het raam te kijken, maar hij kan niets zien dat hij normaal ook niet ziet. Ook uit het raam van de deur ziet hij niets ongewoons. Voorzichtig doet hij de deur open. Rak gromt, maar houdt daar al snel mee op als ze de vogel zien liggen onder het raam. Het is zo'n zwarte vogel met een grijs kopje en hij is inderdaad best groot. Hij ziet er nog een beetje verdoofd uit van de klap, maar hij probeert al weer op te staan. Rak probeert hem een beetje te helpen door hem met zijn neus overeind te duwen. Maar dat vindt de vogel niet goed, hij haalt uit met zijn snavel. Rak kan nog net op tijd weg springen. Hij blaft verontwaardigd naar de vogel als om te zeggen, “Nou zeg, ik probeerde alleen maar te helpen!” De vogel hipt nu een beetje rond, maar als hij zijn vleugels probeert uit te slaan, dan is er een vleugel die niet meewerkt. Die hangt een beetje lam omlaag. Rik loopt naar binnen. “Mama we moeten de dierenambulance bellen, die vogel is gewond.” Mama vindt het goed en gaat het nummer vast zoeken, “Maar kom niet te dicht bij de vogel in de buurt hoor, straks pikt hij je met zijn snavel en die zijn heel erg sterk!” Rik pakt zijn boterham en loopt de tuin weer in. De vogel ziet er nu toch wel heel erg zielig uit. Rik neemt een grote hap en breekt dan een klein stukje af voor de vogel. Kauwend gooit hij het stukje naar de vogel toe. Er zit paardenrookvlees op het brood, maar blijkbaar eet de vogel ook vlees. Hij schrokt het stuk brood in een keer naar binnen. Voorzichtig probeert hij een stukje dichter naar Rik te hippen. “Zo, heb je honger? Nou vooruit, hier heb je nog een stukje brood.” Rik breekt nog een stukje af en gooit het naar de vogel. Mama komt kijken en zegt dat de ambulance er met een kwartiertje is. Rik is blij dat het gebeurde toen hij net thuis was, want anders had hij de ambulance gemist. En dat zou toch zonde zijn. Rik vraagt mama om nog een boterham, en voert de vogel nog een beetje brood. “Ja, als je je brood aan de vogels gaat voeren, dan houd je ook wel honger, ja.” Maar mama smeert toch nog een boterham voor hem.

Een kwartiertje later heeft Rik zijn brood op en komt er een auto aanrijden. Het is maar een gewone auto en helemaal geen spannende ambulance. Rik is teleurgesteld. Er stapt een man uit de auto in een bruin uniform. “Hallo, waar zit de ongelukkige vogel?” vraagt hij als hij Rik ziet staan. “Hallo. Hij zit hier. Ik heb hem net wat brood gevoerd.” De man komt aanlopen hij kijkt even snel naar de vogel en loopt dan terug naar zijn auto. Rik is verbaasd, moet hij de vogel niet meenemen? Maar dan komt de man terug met een doos. “Het is een kauw. Het gebeurt niet zo vaak dat die tegen een raam vliegen.” De man knielt naast de vogel en opent de doos. Dan pakt hij snel de vogel vast en zet hem in de doos. De vogel probeert hem te pikken, maar de man heeft hem zo vast dat dat niet kan. Rik kijkt bewonderend toe. “Wat gaat er nu gebeuren met de kauw?” vraagt hij bezorgd. “Ik neem hem mee naar het asiel en dan gaan we kijken wat er mis is met zijn vleugel. Als het nodig is zal ik die spalken en dan houden we hem een paar dagen vast ter observatie. Als de vleugel weer beter is, dan laten we de vogel weer los. Rik is blij, hij was al bang dat ze de vogel zouden afmaken. “Nee hoor,” zegt de man, “dat doen we alleen als er echt geen hoop meer is voor het beest. En dat hoeft gelukkig niet zo vaak, want de meeste beesten worden gewoon weer beter.” “Kan ik er bij zijn als je hem loslaat?” vraagt Rik. “Ik zal in ieder geval wel even bellen hoe het met hem gaat. En als het dan kan, dan mag je langskomen. Maar het hangt er natuurlijk van af hoe snel hij geneest. Als ik hem los moet laten op het moment dat jij op school zit...” de man maakt zijn zin niet af, maar Rik snapt het wel. Je kunt een vogel natuurlijk niet gevangen houden om te wachten tot er iemand tijd heeft om hem weer los te laten. “Dat zou heel fijn zijn. Als u belt,” zegt Rik beleefd. Mama is er intussentijd ook bijgekomen. Nu de vogel veilig in de doos zit stelt de man zich voor. Hij vraagt ook nog even netjes of het goed is als hij nog even belt over hoe het met de vogel gaat. Mama zelf vindt het eigenlijk niet zo interessant, maar als ze merkt dat Rik het graag wil weten, dan vindt ze het goed. Dan neemt de man afscheid en rijdt, met de vogel veilig in zijn auto, weer weg. Mama en Rik zwaaien hem na. Rik ziet nog net hoe de man ook nog even zijn hand op steekt. Rik moet zich nu nog haasten, anders is hij niet meer op tijd op school.

4 februari – vogels voeren

Die ochtend vraagt de juf of iedereen 's middags wat oud brood mee kan nemen. “Geen hele broden, alsjeblieft, twee sneetjes is meer dan zat. Als iedereen die meeneemt, dan gaan we vanmiddag naar de grote vijver om de eendjes te voeren.”

Tijdens de lunch vraagt Rik aan mama of ze nog oud brood heeft om aan de eendjes te voeren, het hoeven maar twee sneetjes te zijn. “Nee,” zegt mama, “oud brood hebben we niet.” Als ze Rik zijn teleurgestelde blik ziet, voegt ze snel toe, “maar je mag wel twee sneetjes vers brood mee. Het maakt de eendjes niet zoveel uit of het vers of oud brood is.” Rik omhelst zijn moeder. “Je bent de liefste mama van allemaal!” “Dank je wel, Rik. Jij bent ook lief,” beantwoordt zijn moeder de omhelzing.

Even later huppelt Rik weer naar school met een plastic zakje in zijn vuist. In het zakje zitten twee kapjes en een boterham. Kapjes eten ze toch meestal niet op. Mama vindt ze te droog. Rik vindt kapjes wel lekker, vooral als ze net vers bij de bakker vandaan komen.

Niet iedereen op school heeft brood mee. Sommige ouders hadden net als mama geen oud brood, en niet iedereen wil zijn goede brood aan de vogels voeren. Gelukkig zijn er ook een aantal kinderen die heel veel brood mee hebben gekregen om te delen. Als de les begint gaan alle kinderen twee aan twee staan De juf gaat voorop en met zijn allen lopen ze naar de dorpsvijver, die twee straten verderop is. Bij de vijver aangekomen helpt de juf het brood verdelen tussen de kinderen die heel veel hebben en de kinderen die niets hebben. In de vijver zwemmen niet alleen eenden, maar ook ganzen en meeuwen. In de bomen om de vijver heen zitten van die zwarte vogels waarvan Rik net geleerd heeft dat ze kauwtjes heten. Maar er zitten natuurlijk ook spreeuwen en musjes in de bomen. En als de kinderen het brood aan stukjes scheuren en in de vijver gooien wordt het op het water een drukte van belang. Rik vindt het wel grappig om te zien hoe de vogels in de vijver om het brood vechten terwijl er genoeg brood is voor alle vogels. Alle vogels behalve de musjes pikken brood uit het water. Omdat Rik vindt dat de musjes ook wat brood mogen hebben maakt hij hele kleine stukjes en strooit die onder een boom. De meeuwen en spreeuwen zijn natuurlijk zo brutaal dat ze er als eerste bij zijn, maar de mussen pikken nu ook her en der een stukje weg. Bram zijn brood is al op. Hij had het in hele plakken in de vijver gegooid om te zien hoe de vogels het dan op zouden eten. Alleen de meeuwen en de ganzen waren sterk genoeg om de hele boterhammen uit het water te plukken. De meeuwen zijn slim genoeg om er mee weg te vliegen, maar een van de ganzen die het broodje wilde hebben probeerde het in een keer op te slokken, maar dat paste natuurlijk niet. En dus ontstond er een gevecht tussen de gans en een meeuw die het broodje probeerde af te pikken. Uiteindelijk scheurt het brood, dat al een beetje nat is in twee stukken. De gans heeft het grootste stuk. Maar niet lang, want de andere meeuwen komen al snel om ook een stuk te stelen. Uiteindelijk is er genoeg van het brood gestolen dat de gans het overgebleven stuk naar binnen kan slokken. Maar dan is Bram door zijn brood heen, terwijl alle anderen nog bezig zijn met uitdelen. Bram verveelt zich en jaagt achter de eenden aan die op het land gekomen zijn om om brood te bedelen. De eenden zijn misschien niet heel erg slim, maar ze zijn slim genoeg om door te hebben dat de kinderen het brood hebben dat zo plotseling in het water verschijnt. Sommige van de wat kleinere kleuters zijn bang van de eenden en Bram jaagt de eenden bij hen weg. Dat is in ieder geval de reden die hij geeft voor het verjagen van de vogels. Maar hij jaagt de vogels wel heel erg ver weg. Sommige van de eenden weigeren op te vliegen en waggelen een heel eind voor hem uit om de vijver heen.

Rik en Marieke staan met nog wat andere kinderen bij de juf. De juf vertelt de namen van al de vogels in en om de vijver. Zo is er naast het kleine bruine musje ook het geel met zwarte koolmeesje in de bomen. Naast de kauwtjes en de spreeuwen zit er ook een enkele merel in de boom. En in de vijver zwemmen niet alleen eenden, meeuwen en ganzen, maar ook nog een paar waterhoentjes. Rik vindt het maar knap dat de juf al die namen weet. Hij hoopt maar dat hij later net zo slim is als de juf.

Als al het brood van alle kinderen op is, lopen de kinderen weer twee aan twee terug naar school. Onderweg ziet de juf nog een zwart met wit kwikstaartje en wijst het aan voor de groep. Terug in de klas heeft de juf een mooie plaat met daarop bijna alle vogels die ze onderweg gezien hebben. Rik bestudeert hem goed, in de hoop dat hij alle namen kan onthouden, zodat hij thuis kan vertellen wat hij geleerd heeft.

Als mama hem komt halen, vertelt hij honderd uit over alle vogels die hij gezien heeft en hoe ze vochten om het brood. Over hoe groot en sterk en gemeen de meeuwen waren en over hoe schuchter de musjes waren. Hij vertelt ook over de boterhammen van Bram en de domme gans. Mama is erg onder de indruk van hoe goed hij opgelet heeft op school. “Als je het leuk vindt, dan kun je voor je verjaardag wel een vogelboek vragen.” Daar moet Rik nog even over nadenken, want eigenlijk wilde hij ook erg graag die mooie legotrein hebben.

5 februari – een enorm onweer

Woensdagochtend regent het al. Papa brengt Rik met de auto naar school. Rik vindt dat hij ook best een regenpak en laarzen aan had kunnen doen, maar mama vindt dat geen goed idee omdat hij net ziek is geweest. En dus zit Rik bij papa in de auto. Hij is nog niet groot genoeg, dus moet hij nog in een kinderzitje. Maar hij is al wel groot genoeg om er zelf in te klimmen en zijn gordels vast te doen.

De hele dag lang blijft het regenen en hard ook. Tussen de middag komt opa hem halen met de auto en brengt hem naar huis. Opa heeft geen stoeltje achterin, dus moet Rik in de gewone gordels. Het bovenste deel van de gordel gaat achter zijn rug, want anders stikt hij als opa te hard remt. Rik kijkt uit het raam en ziet het water helemaal door de straten stromen. De straat lijkt bijna een rivier. Al het water stroomt zo de putten in.

Als ze weer thuis zijn komt opa nog heel even mee naar binnen voor een kopje koffie. Ze moeten heel hard rennen van de auto naar de deur, gelukkig had mama hen al aan zien komen en heeft ze de deur open gedaan. Anders waren ze hartstikke nat geworden. Mama bedankt opa dat hij Rik opgehaald heeft. Papa had het te druk op zijn werk en kon even niet weg. Opa drinkt zijn koffie op en gaat dan weer naar huis. Hij is nog maar net de straat uit gereden als er een enorme knal klinkt. Rik is heel even bang dat opa ergens tegen aangereden is, maar mama zegt dat het onweer is. “Dat was de donder maar. Niets om je zorgen over te maken. Opa zit veilig in de auto en hij is zo weer thuis.” Rik is er toch niet helemaal gerust over, want hij heeft helemaal geen flits gezien. Een beetje somber zit hij uit het raam te kijken, maar dan ziet hij in de verte toch iets wat op een lichtflits lijkt. Hij telt tot tien. Papa heeft hem eens verteld dat als je binnen tien tellen na de lichtflits de donder hoort dat het onweer dan heel dichtbij is. En inderdaad, bij acht hoort hij weer een knal. Iets minder hard dit keer, maar dus best wel dichtbij. De volgende knal is al wat dichterbij en ook een stuk harder. Steeds dichterbij komt het onweer en het blijft ook maar regenen. Dan komen de flits en de knal bijna tegelijkertijd. Flits! Boem! De knal is superhard. Snel kijkt Rik weer uit het raam om te zien of de bliksem niet ergens ingeslagen is bij de buurman ofzo. Maar hij ziet niets bijzonders. Langzaam trekt het onweer weer weg. Maar de regen blijft. Buiten stroomt het water over de weg. En in de tuin staan al grote plassen. Eigenlijk wil Rik naar buiten om in de plassen te spelen, maar dat vindt mama vast niet goed. Vooral niet omdat het nog steeds hard regent en ook nog onweert, al is het niet meer zo dichtbij. Rik gaat maar tekenen. Hij tekent een huis, met een jongen achter de ramen. En ook een hond naast de jongen. Buiten, op de tekening dan, regent het. Zo hard, dat het water gewoon in stralen naar beneden valt, die hij als rechte strepen naar beneden tekent. De wolken zijn zo donker dat ze zwart zijn en hij tekent ook een grote bliksemflits die zich in tweeen splitst. Op de velden om het huis tekent hij grote plassen. Hij is zo ingespannen bezig dat hij niet meer doorheeft dat het nog onweert.

Om vijf uur hoort hij een auto aankomen en hij rent naar het raam. Het is papa en zijn auto lijkt wel gevolgd te worden door twee golven, zo veel water ligt er op de weg. Als papa binnenkomt loopt hij te mopperen. Hij is in een plas gestapt en heeft nu natte voeten. Mopperend loopt hij naar boven om droge kleren aan te trekken. Als hij beneden komt is hij al weer wat gekalmeerd en Rik laat hem zijn tekening zien.

Dan is het tijd om te eten. Mama heeft lekkere hutspot gekookt, met veel worst.

De wind giert om het huis tijdens het eten. Het lijkt wel of het steeds harder gaat waaien. Het is al donker, maar Rik denkt dat hij anders golven in het water op de weg zou zien. Als hij klaar is met eten, gaat hij weer aan zijn tekening werken. Hij tekent nu ook golven op de weg naar het huis. Niet zo heel erg groot, maar precies zo groot als hij denkt dat de golven op de weg nu zijn. Net als hij klaar is met de golfjes horen ze een enorme knal uit de tuin. Snel rent Rik naar de keuken om uit het raam te kijken. In de tuin ligt een dakpan aan scherven. Papa moppert. Eigenlijk moet hij nu het dak op om de dakpan te vervangen, want anders gaat het lekken, maar het waait te hard en dus is het te gevaarlijk. Mama zegt dat ze dan wel een emmertje op zolder zetten onder het lek. Rik gaat meteen op zolder kijken of hij al een lek kan vinden, maar hij wordt teleurgesteld en ziet helemaal niets. Maar ja, het dak onder de dakpannen is ook van hout, dus dat lekt niet zomaar door.

Maar dan is het bedtijd voor Rik. Hij is nog helemaal niet moe, want hij heeft bijna de hele dag stilgezeten. En hij wil ook het lekkende dak nog zien. Maar mama is onverbiddelijk, het is echt bedtijd. Als Rik nog even doorzeurt over het dak zegt mama dat ze morgen gewoon een monteur belt om het dak weer te maken. “En als je mazzel hebt, kan hij pas 's middags langs komen!” En met die woorden doet mama het licht uit.

6 februari – De vogel en het dak

De volgende dag rent Rik meteen naar boven rende om te kijken of er nog water gelekt is. Hij ziet een hele grote vlek van het water in het hout van het dak. Daaronder heeft mama een emmertje neergezet om het water op te vangen. Maar op het zeil naast de emmer liggen ook nog wat waterdruppels. Mama zei dat de vlek gekomen is omdat het hout onder de missende dakpan eerst het water opgezogen heeft, en dat dan pas later weer er doorheen liet sijpelen. Gauw gaat Rik zich wassen en aankleden. Er ligt buiten nog heel veel water op de straat, maar het is opgehouden met regenen en ook de wind is weer een beetje gaan liggen. Rik mag van mama zijn laarzen aan naar school. Hij moet wel een paar pantoffels mee voor als hij van de juf zijn laarzen uit moet in de klas.

Terwijl Rik op school zit heeft mama iemand gebeld om het dak te repareren. Maar als Rik tussen de middag uit school komt is het dak al weer gemaakt. “Sorry Rik,” zegt mama, “maar die meneer kon meteen langskomen en vanmiddag laat kon hij niet, dus heb ik het toch meteen maar laten repareren.”

Rik mokt nog een beetje, maar snapt wel dat mama ook niet kon wachten. Als het weer gaat regenen wordt het lek alleen maar groter. Na het eten gaat Rik weer naar school op zijn laarzen. Als hij 's middags terug komt is hij helemaal nat. “Wat heb jij nou gedaan?” vraagt mama verbaasd. Rik verteld dat ze met zijn allen in de plassen hebben gestampt, net zo lang tot alle plassen leeg waren. “Nou dat is dan weer lekker. Ben je al lang zo nat? Of hebben jullie dat pas net gedaan?” vraagt mama half boos, half bezorgd. “Nee hoor, dat is pas net, het mocht van de juf niet eerder, omdat we anders ziek zouden worden,” antwoordt Rik vrolijk. “Nou daar ben ik blij om, anders was morgen de klas leeg.” mama moet toch wel lachen. “Maar je broeken zitten in de was, dus dan moet je straks je pyama maar aan,” grapt ze, “En dat terwijl de meneer van de dierenambulance gebeld heeft dat ze vanavond meteen na het eten je vogel gaan loslaten.” Rik schrikt, hij kan toch niet in zijn pyama naar het asiel? Dan ziet hij mama lachen. “Je maakte een grapje!” beschuldigt hij zijn moeder. “Gekkie! Natuurlijk maak ik een grapje. Maar de meneer van de ambulance heeft echt gebeld en ze gaan de vogel echt vanavond loslaten. Zijn vleugel was gelukkig niet gebroken, dus hij is al snel weer genezen. Ik heb al even met papa gebeld en hij zorgt dat hij op tijd thuis is, zodat hij vanavond met je mee kan.” Rik juicht, hij mag naar het asiel!

Thuis kookt mama snel een makkelijke maaltijd, zodat ze op tijd kunnen eten. Macaroni met paprika, ham en ui en een gebakken eitje ernaast. Rik vindt het helemaal niet erg dat ze vroeg moeten eten, want macaroni is lekker. Papa is gelukkig inderdaad vroeg thuis, dus ze kunnen snel eten. Rik eet zo snel dat hij er de hik van krijgt. “Ja, dat krijg je er van als je niet goed kauwt voordat je het doorslikt,” zegt mama streng. De rest van zijn eten kauwt Rik goed, maar dan is het al te laat.

Na het eten trekt Rik zijn laarzen en zijn jas weer aan. Papa doet een paar sportschoenen aan. “Dan moet je niet in een plas stappen, he papa,” waarschuwt Rik hem. Samen stappen ze in de auto en papa stelt zijn TomTom in op het asiel. Dus ze rijden er zo in een keer heen zonder te verdwalen. Bij het asiel staat de meneer al op hen te wachten. Papa stelt zich even voor en dan gaan ze naar binnen. “Wil je eerst de rondleiding of wil je eerst de vogel vrijlaten?” vraagt de man aan Rik. Rik denkt even na, “Eerst de vogel vrijlaten. Dat is het belangrijkst.” De man loopt een kantoortje binnen en pakt een doos die daar al klaar staat. Van binnen uit de doos komen geluidjes die laten horen dat de vogel al in de doos zit. “Hallo kauw, we gaan je nu snel vrijlaten hoor!” zegt Rik tegen de vogel. De vogel lijkt het wel te begrijpen, want hij wordt spontaan stil. “Hee, kan hij me soms verstaan?” vraagt hij verbaasd. “Nou, ik denk niet dat hij je echt kan verstaan, maar kauwtjes zijn wel heel erg slim, dus ik kan me vergissen,” zegt de man, “maar laten we maar gauw je belofte waar maken.” met zijn drieen lopen ze weer naar buiten. Buiten zet de man de doos op de grond. Voorzichtig doet hij de doos open. De vogel kijkt eerst even om zich heen en vliegt dan snel op en landt in een boom. Daar krast hij een paar keer en vliegt dan weg. “Hoorde je dat?” vraagt de man aan Rik, “Hij bedankte je.” Rik moet lachen. “Kom, dan gaan we weer naar binnen, dan kan ik je het asiel nog even laten zien voordat je weer naar huis moet. Ik begreep van je moeder vanmiddag dat je op tijd weer naar huis moet.”

Binnen laat de man de vele kooien zien. Er is een hoek met een heleboel katten, en een rij met hondenhokken. En verder zijn er ook vogeltjes, en zelfs schildpadden. Natuurlijk zijn er ook konijnen en cavia's enzo, maar dat zijn er iets minder. Sommige dieren zijn ziek, maar de meeste zijn gewoon ergens achtergelaten en door de dierenambulance opgehaald. Rik snapt er niets van, hij kan zich niet voorstellen dat ze Rak ooit ergens zomaar achter zouden laten. Als hij het vraagt stelt papa hem gerust dat mama en hij ook veel te veel van Rak houden en dat ze dat nooit zouden doen. Dan is het weer tijd om naar huis te gaan, want Rik moet morgen weer naar school.

7 februari – de bibliotheek

De volgende dag is Rik blij dat hij toch nog vroeg in bed lag, want hij hoort van de juf dat ze vanmiddag naar de bibliotheek gaan. Rik is al lid, maar de meeste kinderen uit de klas nog niet. En dus gaan ze even kennismaken met de mensen uit de bibliotheek en gaan die ook iets vertellen over hoe de bibliotheek werkt en over hun boeken. Rik vertelt Bram en Marieke enthousiast dat hij al een pasje heeft en dat hij ook al heel veel boeken heeft geleend. Papa en mama lezen die dan altijd voor voor het slapen gaan. En soms zelfs halen ze een boek over bijvoorbeeld de sterren en dan leest papa dat in het weekend voor. Marieke heeft ook al een pasje, maar leent wat minder vaak boeken. Haar ouders lezen haar ook niet elke avond voor. Bram heeft geen pasje, zijn ouders gaan eigenlijk nooit naar de bibliotheek, die houden niet zo van lezen. Ze lezen hem wel eens voor, maar dan altijd uit boeken die ze thuis hebben. Dus hij is wel nieuwsgierig. Rik belooft hem alle leuke boeken te laten zien.

Na de les rent Rik enthousiast naar mama toe. “Mama, we gaan naar de bibliotheek vanmiddag!” “Oh, dat is handig, dan kan je meteen je boeken terug brengen, anders hadden we dat dit weekend moeten doen. Als je dan je pasje ook meeneemt, dan kan je meteen nieuwe boeken meenemen.” Rik vindt dat een goed idee van mama. Dus als ze thuis komen leggen ze de boeken en het pasje meteen in een tasje klaar bij zijn schoenen.

's Middags gaan ze met zijn allen in de rij lopend naar de bibliotheek. Rik heeft zijn tasje in zijn hand. Er zitten drie boeken in. Een prentenboek, en twee voorleesboeken. En natuurlijk zijn pasje. Hij houdt het tasje goed dicht, zodat er niets uit kan vallen. Marieke heeft haar pasje in een portemonneetje in haar jaszak zitten. Als ze in de bibliotheek aankomen rent Rik meteen naar de inleverbalie. De juffrouw achter de balie helpt hem gelukkig snel, want alle andere kinderen zijn al naar de stoeltjes gerend die voor hen klaargezet zijn. Als hij zijn pasje teruggekregen heeft, rent Rik er ook gauw heen. Gelukkig hebben Bram en Marieke een stoel voor hem vrijgehouden. Snel gaat hij zitten. “Is iedereen er? Mooi, dan kunnen we beginnen. Ik zie dat sommigen van jullie hier wel vaker komen, maar voor diegenen die hier nog niet eerder geweest zijn: welkom in de bibliotheek. Iedereen weet vast wel al dat je hier boeken kunt lenen, maar wisten jullie ook dat we hier ook muziek hebben? En zelfs computerspelletjes.” Rik wist het wel, maar hij mag altijd alleen maar boeken meenemen, dus hij was het alweer vergeten. “Daarnaast hebben we hier ook computers waarmee je op het internet kunt. En in het weekend en de vakanties hebben we ook vaak voorleesuurtjes. Als je lid bent, hoef je daar niets voor te betalen.” De mevrouw van de bibliotheek vertelt nog verder, maar Rik zijn gedachten dwalen een beetje af. Maar dan is het verhaal afgelopen en mogen ze zelf door de bibliotheek heen lopen om naar de boeken te kijken en voor wie al lid zijn om boeken mee te nemen. Rik rent met Bram en Marieke naar de hoek met de kinderboeken. Rik zoekt snel naar de serie waar papa en mama uit aan het voorlezen zijn. Hij pakt twee nieuwe boekjes die hij nog niet kent en gaat dan op zoek naar een leuk prentenboek. “Hee!” roept Bram op een gegeven moment, “dit boek heb ik thuis ook. Die is echt leuk, joh!” Marieke weet nog niet zo goed wat ze mee moet nemen, en dus gaat ze kijken wat Bram voor boek heeft gevonden. Het is een boek over spoken, het klinkt wel een beetje griezelig, maar Marieke neemt het toch maar mee. Ze neemt ook het eerste boekje mee uit de serie die Rik heeft. Dan lopen ze met zijn drieen naar de balie om de boeken op hun naam te laten zetten. Marieke vraagt ook een tasje bij de boeken, want die is ze vergeten mee te nemen. Als de juffrouw hun de boeken weer meegeeft, hebben ze nog tijd over. Bram wil nog wel even bij de computerspelletjes kijken. Daar heeft hij er thuis ook veel van. Onderweg naar de spellen komen ze langs de computers. Sommige van hun klasgenoten zijn het internet opgegaan. Op de schermen zien ze plaatjes van Sesamstraat, Bob de Bouwer en nog wat andere televisieprogramma's. De juf staat ook bij de computers om een oogje in het zeil te houden. Het internet is leuk, maar er zijn ook een heleboel rare websites. De bibliotheek heeft wel kinderfilters, maar die houden niet alles tegen. Papa noemt het web altijd het grote boze internet en Rik mag er ook niet vaak achter. Nu zijn alle computers bezet en dus gaan ze door naar de spelletjes. Bram kijkt de rekken door en laat een paar spellen zien die hij thuis ook heeft. Het zijn vooral schietspelletjes en Rik is verbaasd dat Bram die mag spelen. “Ja hoor, want die speelt mijn papa ook altijd. En papa zegt dat je geen echte gamer bent als je niet een goede partij Quake kan spelen!” schept Bram op. Maar hij heeft ook wel wat spelletjes die wel voor kinderen bedoeld zijn. Vorig jaar heeft hij van zijn oma een kleurboek op de computer voor zijn verjaardag gehad. Bram weet dat Rik van kleuren houdt en belooft dat hij het wel een keer mag lenen. “En als ik het vergeet kun je het altijd nog hier lenen!” Maar dan is de tijd om, en roept de juf hun weer bij elkaar. Met zijn allen lopen ze weer naar school, voordat de ouders hun op komen halen. Als mama komt, laat Rik trots zijn boeken zien en vertelt ook van het kleurboekspel dat bram heeft laten zien.

8 februari – naar de bioscoop

Het is weer weekend en papa en mama nemen Rik vanmiddag mee naar de bioscoop. Er draait weer een mooie nieuwe film. Het is een Disneyfilm en die zijn eigenlijk altijd wel leuk. Rik is vergeten hoe de film ook al weer precies heette. Rak moet thuisblijven, maar Rik belooft hem om precies te vertellen hoe de film ging. Die ochtend gaat Rik dus extra lang met hem buiten rennen, om goed te maken dat hij de hele middag alleen is. Mama hoopt maar dat Rik dan niet zo moe wordt dat hij in de bioscoop in slaap valt. Rik moet lachen en zegt dat hij vooral Rak zal laten rennen. Buiten spelen ze circusje met zijn tweeen. Rik is de dompteur, papa heeft verteld dat je een dierentemmer zo noemt. Rak speelt alle dieren uit het circus. Eers is hij gewoon een hond, die op zijn achterpoten loopt en door een hoepel springt. Maar dan is hij al de olifant en uiteindelijk zelfs de leeuw. Rak kan wel niet zo goed brullen, maar grommen lukt wel.

Maar dan roept mama hen weer naar binnen. Het is tijd om te gaan. Rak kijkt nog wel een beetje droevig, maar gaat wel in zijn mand liggen. Rik zwaait nog even door het raam in de deur, maar dan moet hij de auto in.

Het is best een eindje rijden naar de bioscoop. Rik speelt ik zie ik zie met mama. Papa kan niet meedoen, want hij moet rijden. Mama is er erg goed in. Als ze bij de bioscoop aankomen heeft mama dan ook dik gewonnen. Papa parkeert de auto vlak bij de deur. Het is gaan regenen, dus dat is wel prettig. Snel rennen ze naar binnen. Rik vindt de rij voor de kassa best wel lang, maar gelukkig hebben ze een tv hangen waarop ze voorfilmpjes voor alle films die binnenkort in de bioscoop komen. Maar dan staan ze toch eindelijk voor de mevrouw van de kassa en papa bestelt drie kaartjes. Ze zijn netjes een half uur voor de film binnen, dus ze moeten nog best wel even wachten. Rik loopt door de hal om alle posters te bekijken. Er hangen een heleboel filmposters, zelfs een aantal van al wat oudere films. Rik vindt dat alle posters maar donker zijn. Alle posters hebben een zwarte achtergrond, op een paar posters voor kinderfilms na. In de hal staan ook een paar posters die ze op een bord geplakt hebben dat zelf kan staan. Daar staan dan vaak mensen of beesten op die net zo groot zijn als ze in het echt zouden zijn. Rik vindt die wel gaaf. “Zou je die ook kunnen kopen papa? Want dan wil ik er wel eentje voor mijn verjaardag.” Papa vertelt dat dat niet kan, omdat de bioscopen ze zelf laten drukken. Rik vindt het maar jammer. Vooral die poster met die robot er op vindt hij erg gaaf. Papa zet hem met zijn mobiele telefoon samen met de poster op de foto. Op de foto lijkt het net een echte robot. De hal loopt in een hoek, met de balie voor de kaartjes aan de ene kant en aan de andere kant, om de hoek is een balie waar je popcorn en drinken kan kopen. Rik durft niet zo goed om popcorn te vragen, maar papa is gelukkig al in de rij gaan staan. “Wil je zoete of zoute popcorn, Rik? En wat wil je drinken?” Oei, dat is een moeilijke keuze. “Ehm, ik wil wel zoute popcorn en een appelsap.” Mama heeft liever zoete popcorn, maar aangezien papa ook zoute popcorn wil, wordt het toch zoute. Rik mag de popcorn dragen. Het is een hele grote bak, vol met popcorn. De popcorn is zelfs nog een beetje warm. Papa draagt de drankjes. Voorzichtig lopen ze naar een tafeltje aan de rand van de hal. Papa zet de drankjes neer en neemt de doos popcorn over van Rik. Het tafeltje is namelijk veel te hoog voor Rik, het komt helemaal tot boven zijn hoofd. Mama zegt dat het een statafel is en dat die niet bedoeld zijn voor kleine kinderen. Gelukkig geeft papa hem een handje popcorn, want Rik kan er nu niet meer bij zonder de bak om te gooien. Rik geniet van zijn popcorn en kijkt nog eens om zich heen. Er staan al steeds meer mensen te wachten. Een paar minuten voordat de film eigenlijk begint mogen ze al naar binnen. Mama neemt de popcorn mee en papa de drankjes, want nu moeten ze in het halfdonker een trap over, en dan heeft Rik zijn handen voor de leuning nodig. Papa loopt voorop, want hij heeft de kaartjes. Bij de deur staat een meneer met een zaklamp in zijn handen die iedereen wijst naar welke rij en welke stoel ze moeten. Met zijn drieen lopen ze naar de aangewezen stoelen Aan de stoelen zitten hele handige bakjes waar je je popcorn of drinken in kan zetten. Papa zet de drankjes in de bakjes. Hun jassen gaan op een lege stoel naast papa en Rik komt tussen papa en mama in te zitten. Hij mag ook de popcorn vasthouden, dan kunnen papa en mama er ook bij. Na een paar minuutjes gaat het licht bijna helemaal uit en beginnen de reclamefilmpjes. Het duurt best lang voordat de reclame over is en Rik wordt een beetje ongeduldig. Hij wacht al best wel lang op de film. Maar dan wordt eindelijk zijn geduld beloond en begint de film.

Na de film lopen ze weer naar de auto. Rik is heel enthousiast en praat nog de hele weg naar huis na over de film. En als ze thuiskomen vertelt hij alles ook nog eens aan Rak. Terwijl hij aan het vertellen is komt mama hem melden dat Bram gebeld heeft of hij morgen kan komen spelen. Daar heeft Rik wel zin in, en dus belt mama even terug om te zeggen dat het goed is.

9 februari – bioscoopje spelen

Op het afgesproken tijdstip wordt Bram gebracht door zijn vader. Zijn vader blijft ook nog even koffie drinken, voordat hij weer naar huis fietst door de kou. Papa en mama gaan met hem in de keuken zitten. Bram en Rik drinken hun limonade in de woonkamer. Rik vertelt enthousiast over zijn bezoek aan de bioscoop de vorige dag. Bram is al weer een tijdje niet in de bioscoop geweest en wilde maar dat hij mee geweest was. “Hee,” zegt Rik, “Ik weet wat we kunnen doen! We gaan gewoon bioscoopje spelen. Dan maken we het donker en gaan we met limonade op de bank zitten film kijken!” Daar heeft Bram wel oren naar. Eerst doen ze de gordijnen dicht. Maar daar schijnt nog steeds licht doorheen. Rik wil ook de luxaflex dicht hebben, maar dat mag hij van mama niet zelf doen. Dus loopt hij naar de keuken om te vragen of mama dat wil doen. Mama is verbaasd: “zo hard schijnt de zon toch niet? Je mag ook de gordijnen wel even dichtdoen.” “Ja, maar we willen bioscoopje spelen en de gordijnen hebben we al dichtgedaan, maar dan is het nog niet donker!” Mama knikt: “nou dan kom ik ze zo wel even dichtdoen.”

Als mama even later in de huiskamer komt zitten Rik en Bram al op de bank. Rik heeft al een DVD'tje in de speler gestopt en de tv aangezet. De voorfilmpjes laten ze dit keer afspelen, want dat is in de bioscoop ook zo. “Goedemiddag heren! Mag ik jullie kaartjes even zien? De film gaat zo beginnen.” Rik en Bram kijken elkaar even aan en gieren dan van het lachen. “Sorry mevrouw, wij hebben geen kaartjes,” zegt Bram terwijl hij zo serieus mogelijk probeert te kijken, “Ons was verteld dat dit een gratis voorstelling was.” Als Rik dat hoort begint hij opnieuw te lachen, die Bram! “Oh,” zegt mama, “dat moet ik dan zo even checken met het management.” Dan doet ze de luxaflex dicht en loopt weer terug naar de keuken. Een paar minuutjes later komt ze weer terug. “Inderdaad heren, mijn oprechte excuses. Het management van de bioscoop biedt u een zakje chips aan om het goed te maken.” “Ha lekker!” roepen de jongens in koor. Maar dan zijn ze al snel weer stil om naar de film te kijken, want die gaat beginnen. Halverwege de film, net als het spannend begint te worden zet Rik de film stil. “Hee, wat doe je nou?” roept Bram geergerd, “het werd net spannend!” “Het is pauze,” antwoordt Rik, “dat is in de echte film ook zo. Net als het spannend wordt is het pauze en dan moet je een kwartier wachten tot het weer verder gaat. Zal ik nog wat drinken halen?” Hij pakt een briefje van het notitieblok naast de telefoon en tekent er een briefje van tien op. Dan loopt hij naar de keuken en bestelt twee limonade bij mama. “Dat is dan vijf euro, jongeman,” zegt mama als ze hem de limonade overhandigt. Dit keer is Rik voorbereid en overhandigt mama het briefje. Mama bekijkt het briefje, “is dit wel echt?” “Natuurlijk is het echt, ik heb het net uit de pinautomaat gehaald!” zegt Rik gespeeld verontwaardigd. “Oh, okay. Dan moet het wel echt zijn. In geldautomaten zit geen vals geld.” “En waar blijft mijn wisselgeld?” vraagt Rik zogenaamd boos. “Oei, ons wisselgeld is op, dus dan heeft u recht op nog twee limonade na de film.” mama krabbelt een briefje op de achterkant van het 'tientje' en geeft het aan Rik. “Nou, wat een service, ik denk dat ik maar ga klagen bij het management! Na de film ga ik altijd meteen naar huis, maar nou moet ik nog wat blijven drinken ook!” Rik loopt met de limonade weer terug naar de huiskamer. “Jemig,” zegt Bram, “dat duurde lang. Was er soms een lange rij ofzo?” “Ja het personeel hier is niet zo snel, en toen hadden ze nog geen wisselgeld ook!” Rik geeft een beker aan Bram en zet dan de film weer aan. “Het is toch wel makkelijk als je zelf ook de meneer van de film bent! Anders hadden we nu nog reclame zitten kijken.” Als de film afgelopen is, stoppen ze er gewoon nog een in. En halen halverwege die film hun volgende beker limonade. De film is bijna afgelopen als Bram zijn vader weer aangefietst komt. Gelukkig geeft mama hem weer een kopje koffie zodat de jongens de film nog even af kunnen kijken. Als de film afgelopen is, doet Rik de gordijnen weer open en zegt tegen mama dat de luxaflex ook weer open mogen. De glazen zet hij netjes op het aanrecht in de keuken en de chipszakjes gaan in de prullenbak. Een bioscoop moet je netjes achterlaten. Bram bedankt Rik zijn ouders netjes dat hij mocht blijven spelen en springt dan bij zijn vader achterop de fiets. “Dag Rik, tot morgen!” roept hij naar Rik die in de achterdeur staat. “Dag Bram! Volgende keer niet vergeten een kaartje mee te nemen he?” roept Rik achter de wegrijdende fietsers aan. Bram moet lachen, maar zijn vader snapt er niets van. Dan roept mama dat Rik de deur dicht moet doen, omdat het koud wordt binnen.

10 februari – de tandarts

Na het ontbijt moet Rik zijn tanden nog een keer poetsen en wel heel goed, want ze moeten naar de tandarts. Als Rik klaar is met poetsen, controleert mama zijn tandjes nog even en helpt nog even om zijn kiezen achterin nog een beetje beter te poetsen, daar kan Rik altijd slecht bij. Dan gaan ze op de fiets naar de tandarts. Het is wel een beetje koud buiten, maar wel zonnig. Rik zit bij mama achterop. Hij is niet bang voor de tandarts want ze gaan altijd twee keer in het jaar daar naartoe. En tot nu toe heeft hij nog nooit iets engs gedaan. Alleen maar in Rik zijn mond gekeken met een spiegeltje. En dan kreeg Rik altijd een stikker, omdat alles goed was.

Bij de tandarts zetten ze eerst de fietsen goed op slot en dan gaan ze naar binnen om in de wachtkamer te gaan zitten wachten tot de tandarts hun roept. Rik vindt het altijd leuk in de wachtkamer, want er hangen leuke posters op de muren over tanden poetsen en snoepen. Maar wat hij vooral leuk vindt zijn de stripboeken die er liggen. Meestal kijkt hij naar de plaatjes, maar soms willen papa en mama er ook wel eens uit voorlezen.

Vandaag gaat papa eerst, want hij moet snel door naar zijn werk. Terwijl papa naar binnen gaat, wil mama wel wat voorlezen. Het is een Jan, Jans en de kinderen stripboek. Rik vindt vooral Jeroen en Catootje erg grappig. De stripjes van de rode kater mag mama overslaan, want daar snapt hij toch niet zo veel van. Het stripboek waar mama vandaag uit voorleest is een hele oude en het verhaaltje gaat over hoe Catootje Jeroen ontmoet. Mama heeft pas een paar bladzijden voorgelezen als papa weer naar buiten komt. Hij kijkt niet blij, “Ik moet terugbellen voor een nieuwe afspraak, ik heb een gaatje.” Rik is blij dat hij nog geen gaatjes heeft, want soms komen er hele nare geluiden uit de kamer van de tandarts en hij heeft gehoord dat die te maken hebben met het vullen van gaatjes. Papa geeft mama een kus en gaat dan naar zijn werk.

Na papa mag Rik. Mama gaat mee de behandelkamer in. Niet omdat Rik bang is, maar als er iets mis is, dan moet mama beslissen. Rik heeft al eens gezegd dat ze best in de wachtkamer mag wachten en dat de tandarts dan roept als er iets is, maar mama wil graag mee. Rik vindt het ook niet heel erg. Hij loopt al meteen naar de tandarts en gaat in de grote behandelstoel zitten. De tandarts geeft hem een hand en vraagt hoe het gaat. Rik antwoordt beleefd dat alles goed is. Dan moet Rik achterover gaan liggen en zijn mond wijd open doen. De tandarts kijkt een voor een al zijn tanden en kiezen na met een haakje en een spiegeltje. Af en toe peutert hij een beetje tussen de tanden en dat kriebelt een beetje. Wat best vreemd is, want normaal gesproken kriebelen tanden helemaal niet. Na een minuutje of zo is de tandarts al weer klaar. “Ja hoor, helemaal in orde. Als je zo goed blijft poetsen als je nu doet, dan komt het helemaal goed.” De tandarts trekt zijn handschoentjes uit en geeft Rik een hand. “Tot over een half jaar dan maar weer.” Rik staat op uit de stoel en loopt naar de assistente die achter een tafel zit. Zij heeft al een paar stikkers op een rijtje gelegd waar hij uit mag kiezen. Hij kiest een stikker in de vorm van een kies met van die rammeloogjes. Die vindt hij altijd het leukste. Mama is ondertussen in de stoel gaan zitten. “Wacht je even op me in de wachtkamer?” Rik loopt de behandelkamer weer uit en gaat in de wachtkamer met een stripboek op schoot zitten wachten tot mama weer klaar is. Omdat hij de tekstjes nog niet kan lezen verzint hij er zelf een verhaaltje bij. Bij de eerste bladzijde verzint hij hoe Catootje en Jeroen op weg zijn naar school en grapjes maken over poep aan je schoen, want dat doen ze altijd. Jeroen heeft een fiets mee, maar omdat Catootje dat niet heeft lopen ze samen, want Jeroen kan nog niet fietsen met iemand achterop. Na drie bladzijden komt mama ook de behandelkamer weer uit. Zij had ook niets. Mama pakt de jassen van de kapstok en Rik legt het boek weer netjes terug op de stapel. Ze doen hun jassen aan en gaan weer naar buiten naar de fiets. Mama brengt Rik meteen naar school en loopt nog even mee de klas in om de juf uit te leggen dat ze naar de tandarts waren. Mama loopt alweer de klas uit als Rik snel weer naar haar toe rent en de stikker aan haar geeft. Die had hij nog altijd in zijn hand en hij is bang dat hij hem kwijt raakt als zij hem niet mee naar huis neemt. Als mama de stikker in haar portemonnee stopt gaat hij gauw weer naar zijn plaats terug. De juf vertelt gauw dat ze met zijn allen aan het knutselen zijn en dat hij Bram en Marieke maar moet gaan helpen met het maken van een grote dinosaurus. Bram heeft een kop gemaakt met grote tanden in de bek en boze ogen van wattenbolletjes bovenop. Marieke is druk bezig met het lijf. “Kan ik jou helpen Marieke, het ziet er uit of Bram al bijna klaar is,” vraagt hij haar. “Ja hoor, maak jij maar driehoekjes van karton, dan worden dat de punten op zijn rug.” Rik pakt een stuk stevig groen karton en knipt er driehoekjes uit. Als hij er een heleboel heeft, helpt hij Marieke om ze op de rug te plakken. Dat is nog niet zo makkelijk, maar de juf weet raad. “Als je nou een heel klein knipje maakt onderin, en dan de twee flapjes die je dan krijgt ieder een andere kant op vouwt, dan kun je de puntjes heel gemakkelijk vast plakken.” Rik probeert het snel uit en het werkt inderdaad erg goed. Al snel is het lijf af. Nu moeten de kop en het lijf alleen nog geschilderd worden en dan aan elkaar gezet en dan is de dino helemaal af. Marieke schildert het lijf groen, en Bram de kop. Rik vindt dat de dino mooier is als hij een paar bruine vlekken krijgt. Hij overlegt nog even met Bram en Marieke, maar die vinden het ook goed. Even later is het lijf gekleurd. Maar nu is het helemaal nat van de verf en kunnen ze de kop niet aan het lijf zetten. De juf zegt dat ze dat dan later wel mogen doen. Maar eerst is het tijd om naar huis te gaan om te eten.

's Middags is het lijf droog en kunnen ze de kop er aan zetten. Met wat hulp van de juf lukt dat best. Het hele lokaal staat nu vol met dino's. Buiten gaan ze dinosaurustikkertje doen en allerlei andere spelletjes tot de dag weer om is.

11 februari – in bad

Het is een koude en natte dag. Papa was een dagje weg voor zijn werk en opa en oma waren ook niet thuis, dus moest mama hem op de fiets halen. Tegen de tijd dat ze thuis zijn zijn ze allebei helemaal doorweekt. En dus stopt mama Rik lekker in bad om weer een beetje op te warmen. Terwijl Rik zich uitkleedt laat mama het bad vollopen. Ze doet er lekker veel badschuim in. Rik heeft zijn ochtendjas aangetrokken om warm te blijven tot het bad vol is, want het kost veel meer tijd om het bad vol te laten lopen, dan hij nodig heeft om zich uit te kleden. Rak komt ook even kijken, maar hij houdt niet zo van water, en dus gaat hij gauw weer naar beneden. Als het bad vol is doet mama er nog wat koud water bij, want het water is een beetje te heet En dan kan Rik er eindelijk instappen. Hij hangt zijn badjas aan een haakje en stapt voorzichtig in bad. Het bad is altijd glad, dus je kunt makkelijk uitglijden. Zijn badeendjes staan altijd op de rand van het bad, dus nu laat hij ze onder het sop verdwijnen. Hij speelt dat de eendjes verdwaald zijn in de mist en naar elkaar moeten kwaken om elkaar weer te vinden. Dan maakt hij een soort van grot onder het sop waar ze kunnen schuilen. Blij gaan de eendjes er in, maar dan stort de grot in! Luid kwakend vluchten de eendjes weer weg. Ze worstelen zich een weg uit de mist en vliegen veilig weer naar de rand van het bad.

Mama heeft Rik ook een spons meegegeven om zich lekker mee te kunnen schrobben. Maar ja, jezelf schrobben is natuurlijk helemaal niet leuk als je in bad zit. En dus stelt Rik zich voor dat het een grote boot is. Er is inmiddels al iets minder sop, en dus is het bad nu een zee vol met ijsbergen. De boot vaart rondjes met de touristen, maar dan komt er opeens een ijsberg opdoemen en het stuur van de boot is stuk. Ze varen recht op de ijsberg af. En met een grote knal varen ze er dwars doorheen. De ijsberg is in duizend stukjes, maar de boot is ook lek en dus begint hij te zinken. Rik duwt de spons langzaam onder water. Eerst de kant die als eerste de ijsberg raakte en dan de andere kant ook.

Dan wordt de boot opeens een duikboot die onder water kan varen. Ze varen rondjes en bekijken de rare onderwaterwereld. Maar daar is niet zoveel aan, en dus knijpt Rik de spons weer een beetje uit en laat hem op het water drijven. Oh jee, nu komt er een storm. Met zijn handen maakt Rik grote golven. Al snel zinkt de boot weer, maar nu komt er ook weer meer schuim in het bad. In zijn poging om zoveel mogelijk schuim te maken heeft Rik niet door dat hij nogal spettert en dat de vloer ook nat wordt. Maar het bad zit al snel weer vol met schuim. Nu gaan de eendjes verstoppertje spelen. Ze verstoppen zich onder het schuim, onder water, achter Rik en achter de spons. Dan moeten ze elkaar zoeken. Rik heeft vier verschillende eendjes en ze zijn niet allemaal even slim. Het gele eendje heeft de andere drie eendjes zo gevonden, maar het blauwe eendje zoekt en zoekt en hij kwaakt heel hard om de andere drie eendjes te vinden. Maar de andere drie eendjes spelen een spelletje met hem, ze blijven niet zitten, maar verstoppen zich steeds op een nieuw plekje. Net als hij ze gevonden heeft komt mama weer boven. “Jemig Rik, wat heb je er weer een waterballet van gemaakt! Moet je de vloer eens zien!” Rik kijkt over de rand van het bad. Inderdaad, de vloer is helemaal nat. “Oei, sorry mama. Ik zal het zo weer droog maken.” “Als je dan maar eerst even jezelf afdroogt. Volgens mij moet het water helemaal koud zijn. Rik vindt dat het best nog wel mee valt, maar het is niet meer zo warm als toen hij er net in ging. Rik trekt de stop uit het bad. Met een grote draaikolk stroomt al het water het bad uit. “Help, help” kwaken de eendjes. Mama moet lachen, “Moet je ze niet redden?” Rik redt een voor een de eendjes uit de draaikolk en zet ze weer op de rand van het bad. Mama zet de douche aan en spoelt al het sop van zijn lijf. Rik is nu weer helemaal schoon en warm. Mama heeft een grote zachte handdoek voor hem meegenomen en wrijft hem lekker droog. “Doe maar lekker een schoon shirt en een schone spijkerbroek aan, het is nog een beetje vroeg om in je pyama te gaan zitten” Rik pakt schone kleren uit de kast en trekt ze aan. Maar in zijn kast liggen geen schone sokken meer. “Mama!” roept hij, “Waar zijn mijn schone sokken?” Mama komt al aangelopen met een hele stapel sokken. “Ik had ze net opgevouwen. Welke wil je aan? We hebben blauwe sokken, groene sokken, je bob de bouwer sokken of je gestreepte sokken.” Rik heeft een groene trui uitgezocht en dus doet hij de groene sokken aan. Eigenlijk zijn het heel verschillende kleuren groen, maar dat geeft niet. Als hij zijn sokken aanheeft, gaat mama weer naar beneden om te koken. Rik gaat intussen met zijn lego spelen. Hij bouwt een badhuis, waar alle legomannetjes in bad kunnen. Als mama roept voor het eten is het gebouw net klaar.

Na het eten gaat hij nog even verder met zijn lego totdat hij naar bed moet. Alle mannetjes zijn dan in bad geweest en weer heelmaal schoon.

12 februari – Spelen bij Bram

Als mama Rik van school komt halen staan Bram en Rik haar al op te wachten met Bram zijn mama. “Mag ik vanmiddag bij Bram spelen?” roept Rik al als hij haar ziet. “Hij heeft van zijn oom net een nieuw computerspelletje gekregen!” Rik mag zelf niet zo vaak achter de computer en ze hebben ook niet zoveel leuke spelletjes, dus een mooi nieuw spel spelen bij Bram heeft hij wel zin in. En het is woensdag, dus ze hebben lekker lang de tijd. Mama vindt het goed en spreekt met Bram zijn mama een tijd af waarop ze Rik komt brengen. Rik huppelt achter mama aan naar haar fiets en klimt achterop.

Op het afgesproken tijdstip brengt mama Rik naar Bram. Bram zijn moeder biedt haar nog een kopje koffie aan, maar mama wil nog graag wat boodschappen doen en gaat dus meteen weer weg. Bram en Rik zijn inmiddels al naar de huiskamer gerend, waar de spelcomputer staat. “Doeg Rik,” roept mama hem achterna. Uit de kamer klinkt nog een “Doeg mama”, maar Rik komt niet meer terug naar de deur. De twee moeders kijken elkaar aan en moeten lachen. “Tja,” zegt Bram zijn moeder, “geef ze een nieuw speeltje en je ben meteen vergeten. Kom je hem om een uur of vier weer halen?” “Dat is goed, tot straks dan.” En mama rijdt weer weg naar de supermarkt.

Bram en Rik hebben intuseen de spelcomputer aangezet. Bram heeft zijn nieuwe spel er in gestopt. Het spel heet Rayman en gaat over een poppetje dat wel handjes, voetjes, een lijf en een hoofd heeft, maar geen armen, benen of nek. Met het poppetje moet je van plankje naar plankje springen en allerlei dingetjes verzamelen om punten te scoren. Er lopen uiteraard ook vijandjes rond en die moet je een stomp geven door je vuist er naar te slingeren. Als je er te vaak door geraakt wordt, dan ga je dood en moet je overnieuw beginnen. Bram heeft al vaker zulke spelletjes gespeeld en is er dus onwijs goed in. Rik heeft er wat meer moeite mee, omdat hij nog moet wennen aan het apparaatje waar je het mannetje mee moet besturen. Console noemt Bram dat. Hij weet ook niet zo goed waarom het zo heet, maar zegt dat dat gewoon zo is. Omdat Rik er nog niet zo goed in is, mag hij het van Bram een paar keer proberen, omdat hij anders al heel snel af is en dan weer heel lang moet wachten tot Bram af gaat. Na een keer of vijf krijgt hij het eindelijk een beetje onder de knie en kan hij eindelijk het eerste level uitspelen. Bram is inmiddels al bij level tien, maar dat geeft niet want Rik vindt het ook wel leuk om te kijken. Hij probeert zo goed mogelijk op te letten, want het is best even zoeken in de levels naar de uitgang. En ook alle dingetjes die je moet verzamelen zijn best goed verstopt. Soms zitten ze zels in geheime gangen. Bram lijkt alle geheimen wel al te weten en Rik vraagt verbaasd hoe hij dat nou al kan weten als hij het spel nog maar net heeft. “Nou gewoon, door het vaak uit te proberen. En als je dit soort spellen vaak speelt, dan leer je vanzelf waar de geheimen meestal zitten. En je kunt het natuurlijk ook gewoon op internet opzoeken.” Maar dan springt Rik op een gegeven ogenblik mis in een bepaald level en valt dan tegen een muur aan waar hij plotseling in verdwijnt. “Hee, cool! Een nieuwe geheime gang! Die had ik nog helemaal niet gevonden, wat goed van je zeg. Loop eens verder, eens zien waar je dan uit komt!” Bram is helemaal enthousiast. Rik laat zijn poppetje verder lopen, maar die kun je niet zo goed zien omdat hij achter een muurtje zit. En dan kan hij niet verder. “Hee, het mannetje wil helemaal niet verder, wat moet ik nou doen?” “Probeer eens te springen? Soms moet je een beetje omhoog voordat je verder kan.” Rik laat het poppetje springen. Maar als hij recht omhoog springt gebeurt er niets. “Nee joh, je moet dan ook een beetje opzij springen, anders kan hij nergens op landen.” Bram zijn handen jeuken om het zelf te proberen, maar Rik wil het ook zelf doen, dit is de eerste geheime gang die hij helemaal zelf ontdekt heeft en dat wil hij afmaken ook. Hij springt eerst naar rechts, maar valt dan gewoon toch weer omlaag. Dan probeert hij naar links te springen en landt inderdaad op een volgend gangetje. Zo moet hij nog een paar keer omhoog en opzij en zigzagt hij naar een kamer waar heel veel dingetjes die je moet verzamelen hangen. Vrolijk springt Rik op en neer om ze allemaal te pakken. Dan springt hij wat op en neer om nog een andere geheime gang of uitgang te ontdekken, maar er is niets anders en dus moet hij terug via de gang waarmee hij binnenkwam. Helaas haalt hij het einde van het level niet, want er komen opeens een paar vijandjes uit de lucht vallen. En dan is Bram weer aan de beurt.

De jongens spelen het spel de hele middag totdat mama Rik weer komt halen. Rik vindt het best jammer dat hij nou al moet stoppen, maar mama zegt dat het de hoogste tijd is, omdat hij al drie uur achter de computer zit en dat is helemaal niet goed voor je. En dus neemt hij afscheid van Bram, die door zijn moeder ook even achter de spelcomputer vandaan getrokken wordt om afscheid van Rik te nemen. Maar Rik ziet dat hij al weer weggerend is voordat zijn moeder de deur dichtgedaan heeft en hij grinnikt even.

Onderweg naar huis zegt hij tegen mama dat hij eigenlijk ook wel een spelcomputer wil hebben. “Denk je dat ik die voor mijn verjaardag kan vragen, mama?” “Je kunt het altijd vragen, Rik, maar ik denk dat een spelcomputer te duur is om te krijgen. Dus reken er maar niet te veel op.” Rik is wel een beetje teleurgesteld, maar neemt zich voor om dan maar wat vaker bij Bram te gaan spelen.

13 februari – cadeautje kopen

Zondag is papa jarig en mama moet nog een cadeautje kopen. Vanavond is het koopavond en papa gaat sporten. Dus gaan mama en Rik de stad in om iets leuks voor papa te zoeken. Papa vraagt voor zijn verjaardag wat gereedschap, en een nieuw horloge, maar verder wist hij niets. Op zijn verjaardag zullen er wat vrienden komen en opa en oma komen natuurlijk ook. Ook papa's broer komt. Maar opa en oma willen het horloge al geven en papa's vrienden geven al gereedschap. Dus moet mama iets anders verzinnen. Ze lopen eerst de cd-winkel in om te zien of die nog leuke cd's hebben die papa nog niet heeft, maar mama kan niets leuks vinden. Ze gaan ook nog bij de kledingwinkel kijken, maar mama ziet niets dat ze leuk genoeg vindt om cadeau te geven. Zo lopen ze winkel in en winkel uit. Als ze langs een winkel komen waar ze allemaal grappige dingen komen die niet echt nuttig zijn, stelt Rik voor om daar even binnen te kijken. “Misschien dat ze hier een cadeautje hebben. Papa vindt dat misschien ook wel leuk.” Mama vindt het een goed idee van Rik. Ze bekijken een klok die met lichtjes de tijd in de lucht schrijft. In ieder geval zo lijkt het. Mama legt uit dat het komt omdat er laserlicht schijnt wat je in de lucht niet ziet, “maar doordat er een wijzertje heel snel heen en weer beweegt door de straal van het licht, kun je het wel zien.” De klok is wel leuk, maar eigenlijk hebben ze al genoeg klokken. Er is ook nog een toetsenbord dat op tafel geprojecteerd wordt, maar die moet je aan een palmcomputer hangen, en die heeft papa niet. En dus zien ze nog niet echt iets wat leuk genoeg is om cadeau te geven. Want of het is iets waar ze niks aan hebben, of het is te duur, of het is weer te goedkoop. En zo is er met alles in de winkel wel iets. Teleurgesteld verlaten ze de winkel weer. Ze lopen nog wat door de stad heen en weer maar zien eigenlijk niets meer. Mama geeft het op en besluit papa nog maar eens om meer ideeen te vragen. Dan gaat ze morgen overdag nog wel op zoek. Samen lopen ze terug naar de auto als Rik een dierenwinkel ziet. Hij kijkt altijd graag even naar de jonge konijntjes en cavias enzo, hoewel hij weet dat hij er toch geen een mag hebben. “Maar,” zo bedelt hij om even te mogen kijken, “als ik ze dan niet mag hebben, mag ik dan tenminste heel even in de winkel naar ze kijken?” Mama moet wel lachen om zijn argumenten en gaat met hem naar binnen. Rik kijkt bij de konijntjes en de cavia's. Bij de marmotten en de jonge poesjes. En dan ziet hij de vissen achter in de winkel. Ook daar moet hij even kijken. Mama is bij de ingang blijven staan. Rik ziet de mooiste vissen. “Mama kom eens kijken, ze hebben hier hele mooie vissen!” Mama komt naar achteren lopen en bekijkt samen met Rik de vissen. “Zou papa dat niet mooi vinden, een aquarium vol met vissen?” Mama weet het niet, “Zal ik hem anders gewoon eens bellen?” “Maar dan is het geen verrassing meer!” roept Rik verontwaardigd, “en een cadeau is altijd leuker als je niet weet wat er in zit!” “Maar Rik, een aquarium kan ik niet inpakken! Dus dan weet hij toch al van te voren wat hij krijgt.” Ja daar heeft mama ook weer gelijk in. “Misschien moet ik dan een mooie tekening maken van een aquarium met vissen, en dan geven we die en dan kan hij zelf meegaan vissen uitzoeken als hij het een goed idee vindt!” Rik vindt het zelf een hele goede oplossing. Dan hebben ze in een klap een cadeautje voor papa, het is een verrassing tot zijn verjaardag en als hij het niet leuk vindt, dan kunnen ze altijd nog wat anders kopen. “Rik, je bent geniaal. Dat is de beste oplossing. Zullen we dan nu meteen maar naar huis gaan? Dan kun jij met tekenen beginnen, want dat kan ik helemaal niet.” “Mama, kun jij dan eerst wat fotootjes maken van de vissen, anders vergeet ik straks hoe ze er uit zien, en dan teken ik vissen die ze helemaal niet hebben. Dan krijg je opeens blauwe vissen met oranje strepen en groene vissen met gele stippen en paarse vinnen.” Ook dat vindt mama een goed idee en ze laat Rik de vissen aanwijzen die hij het mooist vindt, en maakt daar dan gauw een fotootje van met haar telefoon. Als dat gedaan is gaan ze gauw naar huis, zodat Rik alvast kan beginnen met tekenen. De avond is niet lang genoeg, maar gelukkig hebben ze morgen nog een paar dagen, want papa is pas zondag jarig.

14 februari – Valentijnsdag

Eigenlijk wil Rik meteen 's ochtends verder tekenen aan het aquarium, maar hij moet naar school. En papa is natuurlijk ook nog thuis. En die mag het niet zien. Dus kleedt Rik zich maar gewoon aan en eet zijn broodjes op, zonder er over te beginnen. Als papa naar kantoor is, zegt hij nog heel even tegen mama dat hij liever thuis gebleven was om het aquarium af te maken, maar mama zegt dat hij nog tijd genoeg heeft en dat hij gewoon naar school moet.

Op school vertelt de juf dat het vandaag Valentijnsdag is en dat dat een dag is waarop iedereen iets liefs doet voor de mensen waar hij van houdt. Zo zijn er een heleboel mensen die stiekem, of niet, een kaartje sturen naar de persoon waar ze verliefd op zijn. Mannen kopen bloemen of iets lekkers voor hun vrouw, en vriendjes kopen een cadeautje voor hun vriendinnetje. Rik vindt het maar stom, waarom zijn het alleen de mannen die iets kopen op Valentijn? Juf weet geen antwoord, maar zegt dat er ook best vrouwen zijn die iets kopen voor hun man of vriend. Rik vindt het toch maar onzin. Papa komt soms ook wel eens zomaar met iets leuks voor mama thuis. Niet zo heel erg vaak natuurlijk, want het moet wel speciaal blijven. En als je zo gaat afspreken dat je wat meeneemt, dan is het niet speciaal meer, vindt hij. Hij neemt zich voor dat hij later als hij groot is niet aan Valentijn gaat doen. Marieke daarentegen neemt zich voor om ook wat voor haar vriend te kopen.

Als het geroezemoes weer een beetje gekalmeerd is, vertelt de juf dat ze een hart gaan knutselen, zodat iedereen iemand kan verrassen voor Valentijnsdag.. Je mag hem maken voor een vriendje of vriendinnetje, of voor je ouders, of voor je opa of oma, of voor de mevrouw van de bibliotheek. Het maakt niet uit voor wie je het maakt. Je mag het zelfs helemaal zelf houden als je niemand weet om het aan te geven. Na de uitleg deelt de juf rode blaadjes uit waar een groot hart op getekend is. Ze heeft ook mooie rode balletjes met metaalachtig glimmende haartjes. Er zijn ook glittertjes, lijm en scharen, en papier in alle kleuren van de regenboog. De juf heeft een paar voorbeelden gemaakt, zoals een hart met allemaal glittertjes en de tekst voor mama er op. Of een hart met mooie balletjes er op en de tekst voor de liefste papa en mama. Rik heeft een leuk idee en vraagt of de juf ook een prikpen en een priklap voor hem heeft. Die heeft de juf natuurlijk wel en ze haalt ze voor hem uit de kast. Rik prikt vier H's in het hart, maar wil niet tegen Bram en Marieke zeggen waarom. Als de H's uitgeprikt zijn vouwt hij de twee deurtjes die zo bij iedere H ontstaan open. “Oh, je hebt deurtjes gemaakt!” roept Marieke als ze het ziet. Rik knikt en gaat zwijgend verder. Achter de deurtjes plakt hij mooie stukjes gekleurd papier. Dan vraagt hij de juf of ze papa, mama, opa en oma voor hem op kan schrijven. En ieder van die vier krijgt zijn eigen kamertje in het hart. De kamertjes versiert Rik vervolgens met mooie glittertjes. De deurtjes kunnen nog niet meteen dicht, want anders zitten ze aan de lijm van de glittertjes vast. Als de glittertjes eindelijk droog zijn, plakt Rik op ieder van de deurtjes een balletje. Gelukkig had de juf heel veel balletjes, want Rik heeft er zo wel acht nodig. Als de balletjes vastgeplakt zijn is Rik klaar. “Kijk, weet je wat dit is?” vraagt hij aan Bram en Marieke. “Een hart?” zegt Marieke onzeker. “Ja, maar niet zo maar een hart. Het is mijn hart!” Rik is best trots op zijn idee. “En wij dan?” vraagt Bram een beetje plagerig, “Hebben wij geen plekje in je hart?” “Natuurlijk wel, maar jullie zitten een beetje meer verstopt.” Rik verzint een heel verhaal, want nog een set deurtjes past niet meer in het hart. “Dit zijn de eerste kamers die er in mijn hart waren, jullie kamers werden later gebouwd, dus die hebben een deur aan de zijkant, en die zie je niet!” Marieke moet lachen, “Oh, nou dan is het goed.”

Bram heeft zijn hart gewoon helemaal met glittertjes en balletjes vol geplakt. “Ik ga het aan mama geven.” Marieke heeft mooie plaatjes van lieve poesjes op haar hart getekend en gaat het aan de buurvrouw geven, “Want ik mag altijd met de jonge katjes spelen als haar kat weer eens een nestje heeft.”

Aan het eind van de ochten is iedereen klaar met zijn hart en mogen ze het mee naar huis nemen. Mama vindt het hart heel mooi en stelt voor om vanmiddag even langs opa en oma te gaan zodat zij het ook kunnen zien. Ze belt meteen even om te vragen of het goed is als ze meteen met Rik uit school even langs komt. Oma vindt dat wel gezellig en zo is het afgesproken.

's Middags op school doen ze gewoon spelletjes en Rik kan niet wachten tot mama hem weer op komt halen. Mama heeft beloofd dat zij het hart meeneemt, zodat Rik het niet weer mee naar school hoeft te nemen. Rik hoopt maar dat ze het niet vergeet, want anders hadden ze niet naar opa en oma gehoeven. Maar als mama hem op komt halen heeft ze het hart netjes in een tasje meegenomen. “Ik ben blij dat je het niet vergeten bent mama!” “Mallerd, natuurlijk ben ik het niet vergeten! Anders hadden we weer naar huis gemoeten! Ik vergeet heus niet wat de reden van ons bezoek is hoor.”

Oma vindt het hart heel erg mooi, en geeft Rik een koekje als beloning. Opa is nog even een boodschapje doen, maar als hij terugkomt, bewondert ook hij het hart. “Wat een mooie kamer heb ik zeg! Ik denk dat ik er maar kom wonen.” Opa geeft Rik ook een koekje. Oma ziet het wel, maar knipoogt alleen. En dan moeten ze weer naar huis om te eten en omdat papa het hart natuurlijk ook nog moet zien. Papa moet alleen overerken, dus Rik en mama eten alleen. Als Rik naar bed moet, zegt hij tegen mama dat ze het hart wel aan papa moet laten zien als hij thuiskomt.

15 februari – boodschappen doen

Door al het gedoe met Valentijn is Rik helemaal papa's tekening vergeten. Dus op zaterdagochtend gaat Rik stilletjes zijn bed uit om de tekening en zijn kleurpotloden te pakken. Gelukkig had mama de foto's van de vissen al voor hem uitgeprint, want hij mag natuurlijk niet zomaar haar telefoon pakken. Dus ook de foto van de vissen neemt hij mee naar zijn kamer en gaat daar stilletjes zitten tekenen. Rik heeft van het hele blaadje een aquarium gemaakt. Zijn tekenblaadje is namelijk rechthoekig en een aquarium ook, dus dat past goed. Hij heeft al een kasteel getekent en de bovenkant van het water. Nu tekent hij de plantjes en als laatste de vissen. Die tekent hij als laatste zodat ze zich ook achter de plantjes kunnen verstoppen. Er zijn gewone goudvissen en ook guppies. Maar hij tekent ook een mooie donkerblauwe vis en witte vissen met hele grote waaierende vinnen. Net als papa en mama opstaan is de tekening klaar. Rik verstopt hem gauw, zodat papa hem niet ziet. Hij is gelukkig net op tijd, want papa komt zijn kamer binnen om het wakker te maken. Hij was zo stilletjes bezig geweest dat papa en mama dachten dat hij nog sliep.

Vandaag moeten ze boodschappen doen voor papa's verjaardag. Ze moeten best veel boodschappen hebben, want ze moeten ook nog eten kopen voor de rest van de week. En dus mag Rik mee boodschappen doen.

En dus kleden ze zich snel aan en eten even snel een broodje. Mama wil niet te laat in de winkel zijn, want op zaterdag is het altijd druk.

In de winkel mag Rik helpen met de boodschappen. Mama heeft een lijstje en stuurt papa en Rik er steeds op uit om te zoeken wat ze nodig hebben. Zelf duwt ze het karretje. Eerst mag Rik een paprika pakken, want die hebben ze nodig voor de nasi van woensdag. Rik pakt een grote rode paprika, want de rode vindt hij het lekkerst. En dat staat altijd zo vrolijk in de nasi. Dan stuurt mama hem er op uit om vier tomaten te pakken. Ze waarschuwt hem nog wel dat hij goed moet opletten dat het mooie tomaten zijn die geen beurse plekken hebben. Rik kiest vier van de mooiste tomaten die hij vinden kan en stopt ze voorzichtig in een zakje. Als je er niet voorzichtig mee doet, dan worden ze alsnog beurs, en dat zou zonde zijn. Met het zakje tomaten loopt hij naar de weegschaal, want tomaten moet afgewogen worden. Hij legt de tomaten in het schaaltje, en zoekt dan het knopje van de tomaten. Oei, dat zit helemaal bovenaan en hij kan er eigenlijk net niet bij. Met een arm op de tafel waar de weegschaal op staat kan hij zichzelf net hoog genoeg duwen om met het topje van zijn vinger bij het knopje te kunnen. Het knopje voor de bon zit gelukkig beneden. Daar kan hij makkelijk bij. De stikker die uit de weegschaal komt, plakt hij netjes op het zakje en dan loopt hij met de tomaten terug naar mama. Mama controleert nog even of de tomaten goed zijn, “Dat heb je goed gedaan Rik, dat zijn mooie tomaten.” Van de groenteafdeling lopen ze door naar het vlees. Daar mag Rik een pakje met twee kipfilets halen. Die heeft hij snel gevonden. Papa en mama hebben intussen de rest van het vlees gepakt, en dus lopen ze door. Langs de kaas en de boter, en dan langs de muesli. Bij de koffie moeten ze wat meer hebben, want de theedoos is al bijna leeg en dus koopt mama verschillende soorten thee, om de doos weer te vullen. Rik mag intussen op zoek gaan naar suikerstaafjes, “Doe maar een grote doos.” Maar de suikerstaafjes staan veel te hoog, daar kan Rik echt niet bij. Dan komt er een meneer voorbij en Rik vraagt hem beleefd of hij een grote doos met suikerstaafjes voor hem kan pakken. “Zo, mag jij al zelf boodschappen doen? Of zijn je ouders wel mee?” Rik legt uit dat hij papa en mama mag helpen, maar dat hij niet bij de suikerstaafjes kan. “Nou, die wil ik best wel even voor je pakken hoor, wil je het kleine doosje of de grote doos?” “De grote alstublieft.” “Alsjeblieft, jongeman, een doos suikerstaafjes.” “Dank u wel meneer!” En Rik huppelt weer weg naar mama en de kar terug. “Kijk eens mama, de suiker!” Na het pad met de koffie, komt het pad met de koekjes en de snoepjes. Hier blijven ze wat langer hangen, want Rik mag helpen koekjes uitzoeken. Ze kiezen gevulde koeken en appelkoeken. Ze hoeven niet zo heel veel koek te hebben, want mama gaat vanmiddag nog taart bakken. De koeken zijn alleen voor als de taart te snel op gaat. Chips en frisdrank hebben ze meer van nodig. Cola, spa rood, cassis en bier, en ook nog chips en zoutjes. Dan nog wat kaas en worst, en de boodschappen zitten weer in de kar. Voor de kassa staat al een rij, en dus moeten ze even wachten tot ze aan de beurt zijn. Bij de kassa liggen ook een heleboel lekkere snoepjes, en Rik heeft er best wel zin in. Maar hij weet dat als hij er om gaat zeuren, dat hij dan toch niet krijgt. Dan zegt mama gewoon dat hij niet moet zeuren en dat ze morgen al genoeg lekkere dingen krijgen. Helaas hebben papa en mama geen zin in snoep, dus wordt het ook niet gekocht. Als papa en mama aan de beurt zijn mag Rik helpen om de boodschappen op de band te leggen. Papa gaat intussen alvast een paar dozen zoeken, want de kratten die ze hebben meegenomen zijn niet groot genoeg. Als de boodschappen betaald zijn, worden ze in de auto geladen en rijden ze weer naar huis. Papa tilt de zware kratten naar binnen en Rik neemt een pak wc-papier mee. Voor de kratten is hij nog niet sterk genoeg. Terwijl papa bij de auto is vertelt Rik nog gauw even aan mama dat de tekening klaar is. Daarna gaat hij de rest van de dag met Rak buiten spelen.

16 februari – papa's verjaardag

Mama komt Rik al vroeg wakker maken. Dat wil zeggen, vroeg voor mama. Rik is al een tijdje met zijn lego aan het spelen, want het is al half negen. “Zullen we papa verrassen met ontbijt op bed? Hij wil wel eerst uitslapen hoor, maar we kunnen wel al beginnen met croissantjes maken.” Dat vindt Rik wel een goed idee. Hij laat mama dat tekening van het aquarium zien. Ze nemen de tekening ook meteen mee naar beneden, want dan kunnen ze die naast het ontbijt op het dienblad leggen voor als ze papa straks wakker maken. Beneden zet mama het koffiezetapparaat aan en Rik haalt het blikje croissantjes en de kaas uit de koelkast. Hij trekt het blikje vast open en pakt de kaasschaaf alvast. Kaas schaven kan hij nog niet, maar dat kan mama zo meteen doen. Hij rolt de croissantjes uit op de broodplank terwijl mama plakjes kaas snijdt. Dan de croissantjes oprollen en hup de oven in. Ze drinken een glaasje melk terwijl ze op de koffie en de croissantjes wachten. Om negen uur is alles klaar. Mama rolt nog gauw even de tekening op en doet er een lintje omheen. Dan leggen ze de tekening naast een bordje met twee croissants en het kopje koffie. Mama draagt het dienblad en samen gaan ze naar boven om papa wakker te maken. Gelukkig doet papa zijn ogen al open als ze de deur open doen. Samen zingen ze: “Lang zal hij leven, lang zal hij leven!” Mama zet het dienblad voorzichtig op het nachtkastje neer. “Hmmm,” zegt papa, “dat ruikt lekker! En wat light hier voor moois? Heb je een tekening voor me gemaakt Rik?” “Nee,” zegt Rik, “het is niet een tekening, het is een tegoedbon!” Hij kijkt even naar mama of hij het goed zegt, mama knikt. “Een tegoedbon, dat klinkt spannend.” Snel rolt papa de tekening uit. “Oh, ik snap het al, een tegoedbon voor een aquarium? Of heb ik het mis?” Rik is trots, papa snapt het meteen. “Ja, als je een aquarium leuk vindt, dan gaan we die van de week nog halen,” vult mama Rik aan. “Nou dan moeten we binnenkort naar de dierenwinkel, want een aquarium lijkt me wel wat. Toen ik vroeger klein was had ik al een goudvis, maar ik mocht nooit een echt aquarium van mijn ouders. Maar wat is dit nou? Maar twee croissantjes? Wat moeten jullie eten dan? Of dachten jullie dat ik graag alleen at?” Glimlachend loopt mama weer naar beneden om nog twee bordjes en de rest van de croissantjes te halen. Met zijn drieen gaan ze op het bed zitten eten. “Nou,” zucht mama, “dan moet nu alleen wel het beddengoed weer in de was, met al die kruimels.” papa lacht, “Dat had je je eerder moeten bedenken!”

Na het ontbijt gaan ze zich douchen en aankleden. Papa haalt alle klapstoelen naar beneden en Rik zet ze een voor een in een grote kring om de tafel. Mama begint vast met taartbakken, want de visite kon best wel eens vroeg komen en een taart moet wel een uur in de oven staan. Maar dan is er niet zo veel meer te doen, dus Rik gaat maar wat met Rak buiten spelen tot de visite komt. Opa en oma zijn de eerste die komen, zij zijn er al vlak na de lunch. Het hele huis ruikt nu lekker naar appeltaart en opa zegt meteen dat hij niet kan wachten om mama's lekkere baksels te proberen. Net als opa en oma aan de koffie met taart zitten komt de buurman ook nog even langs.

Opa en oma blijven ook eten, maar de buurman zegt dat hij weer naar huis gaat. “Weet je zeker dat je niet wilt blijven eten?” vraagt mama, “Er is genoeg hoor? Ik heb altijd veel te veel met verjaardagen.” Zelfs Rik ziet dat de buurman twijfelt. Hij denkt dat de buurman af en toe vast eenzaam is, zo in zijn eentje in dat grote huis. “Toe, buurman, blijf lekker eten. Mama heeft heel lekker gekookt hoor!” De buurman moet lachen, “Nou vooruit dan maar, mijn prakkie blijft nog wel goed tot morgen.”

Na het eten komt ook oom Dolf nog langs, en nog wat collega's van papa, en ook nog wat vrienden van papa en mama. Het wordt helemaal druk. De chips en zoutjes komen op tafel en er wordt veel gepraat. Het is al bijna bedtijd, en Rik heeft helemaal geen zin om naar bed te gaan. Dus kruipt hij lekker in een hoekje weg waar niemand last van hem heeft. En het lijkt te werken, want mama heeft het zo druk dat ze helemaal vergeet dat Rik naar bed moet. Alleen Rak kijkt heel af en toe even naar Rik. Op een gegeven moment weet Rik zeker dat hij Rak ziet knipogen. Pas een half uur nadat Rik naar bed had gemoeten staat Rak op en duwt tegen mama aan. “Wat is er jongen, heb je honger?” Maar Rak loopt naar Rik toe en wijst mama er zo op dat het bedtijd is voor Rik. “Nou dank je wel hoor, verrader! Nou heeft ze me gezien,” sist Rik naar Rak. Rak grijnst alleen maar. “Rik! Lig jij nog niet in bed? Ga eens gauw naar boven om je tanden te poetsen! Morgen moet je weer naar school!” En zo is papa's verjaardag voor Rik voorbij.

17 februari – papa's aquarium

's Ochtends is Rik toch best wel moe, omdat hij zo laat naar bed ging. Als hij moeite heeft om uit bed te komen, komt Rak hem halen. Met een grijns op zijn hondensnuit lijkt hij wel te willen zeggen dat dat er van komt als je zo laat opblijft. Als Rik weigert uit bed te komen, neemt Rak voorzichtig zijn been tussen zijn kaken en begint er aan te trekken. “Rak! Hou op!” Rak laat los en springt dan op Rik zijn bed en begint hem met zijn kop uit bed te duwen. Rak is een grote hond, en Rik is nog maar een kleine jongen, dus Rak duwt hem gemakkelijk zijn bed uit. Bijna valt Rik zelfs, maar hij kan nog net op tijd zijn benen onder zich zetten. “Ja, ja, ik ga er al uit!”

Als Rik bij het ontbijt alles aan mama vertelt, moet die wel lachen. “Haha, die slimme hond. Hij kwam me dus niet voor niets vertellen dat je naar bed moest gisteren.” Daar moet Rik haar wel mokkend gelijk in geven.

's Middags uit school is papa vroeg thuis. “Het was niet zo druk op mijn werk en we moeten mijn aquarium nog gaan kopen. Ik dacht, nu heb ik tijd. Je weet maar nooit hoe lang het anders nog duurt.” Mama moet wel een beetje lachen, “Na al die jaren wachten, heb je nu opeens haast? Nou goed, dan gaan we maar meteen.”

In de dierenwinkel laat papa de tekening aan de medewerker van de winkel zien. “Ik wil zo'n aquarium.” De medewerker kijkt hem niet-begrijpend aan, “Hoe bedoelt u meneer?” “Nou,” zegt papa, “dat lijkt me toch duidelijk. Ik heb een tegoedbon van mijn vrouw en zoon gehad voor een aquarium. Dit aquarium.” En hij wijst op de tekening. De medewerker is een beetje dom en lijkt het nog steeds niet te snappen. Papa zucht, “Laat maar. Ik zoek het zelf wel uit.”

Het moeilijkste is het nog om de aquariumbak uit te zoeken. Die moet niet te groot zijn, maar ook niet te klein. Uiteindelijk heeft papa er eentje gevonden. Hij roept de medewerker weer om die alvast klaar te zetten terwijl ze de rest gaan uitzoeken. Dan zoekt hij een kasteeltje uit. Degene die hij uitkiest ziet er niet helemaal zo uit als op de tekening, want die op de tekening is rood en het kasteeltje dat papa uitzoekt is groen. Maar Rik vindt de groene eigenlijk ook mooier. Papa pakt een doosje met het kasteeltje dat hij hebben wil en brengt het vast naar de kassa zodat ze er niet de hele tijd mee hoeven te slepen. Daarna gaan ze plantjes uitzoeken. Ook die gaan naar de kassa. Dan komt er van achter een andere medewerker die net even pauze had. “Ik hoor dat u een aquarium uit aan het zoeken bent? Weet u al wat u wilt?” Deze medewerker lijkt wat slimmer dus papa laat nog een keer de tekening zien, “Nou, ik wil zo'n aquarium.” En nog voordat hij kan zeggen dat er al plantjes en een bak bij de kassa liggen, onderbreekt de nieuwe medewerker hem, “Oh, wat leuk! Heb jij die getekend?” Bij dat laatste kijkt ze naar Rik. Rik knikt. Papa vertelt dat ze alles al bij de kassa hebbenn staan. “Nou, dan gaan we eens kijken wat daar al ligt en wat er dan nog nodig is, om het precies zo te maken als op de tekening.”

“Zo, eens even zien. Het aquarium zelf is al uitgekozen zie ik. Prima keus, dat is een mooie bak van veiligheidsglas. Hee, het kasteeltje heeft een andere kleur! Ik heb ook wel een rood kasteel als je wilt hoor?” Rik schudt van niet, “De groene is mooier,” zegt hij stellig. “Okay. Hmm, jullie hebben wel wat veel plantjes uitgezocht, ik zou deze en deze er niet bij doen. Je wilt natuurlijk wel dat de vissen ook nog kunnen zwemmen.” Papa knikt blij, dit is een medewerker waar mee te praten valt. “Eens even zien, we moeten ook nog een filter hebben om het water schoon te houden, die zit op de tekening natuurlijk achter het kasteel verstopt zodat je dat lelijke ding niet zo ziet, maar je hebt hem wel nodig om je vissen gezond te houden. Ik kan deze aanraden. Niet te duur, maar hij werkt wel goed.” Papa kijkt eens naar de prijzen van de verschillende filters en stemt dan toe. “Nou dan moeten we nu alleen de vissen nog. Ik vrees alleen dat er niet zoveel vissen in de bak kunnen als op het plaatje, want anders raken de vissen gestresst omdat ze niet lekker kunnen zwemmen.” Rik stelt zich de gestresste vissen voor door te denken aan hoe papa soms is als het druk is op het werk, hij moet wel lachen, “Nou dan moeten we vooral niet te veel vissen hebben, want dan wordt het een heel sacherijnig aquarium!” Daar moet de medewerkster ook wel om lachen, “Precies. Maar een zo'n blauwe, en een zo'n witte kan wel. En als we dan van die kleine goudvisjes nemen, in plaats van de grotere, dan heb je nog best wel veel vissen En van guppies gaan er ook lekker veel in. Maar daar zal ik niet te veel van nemen, want die willen nog wel eens gaan fokken. En dan zit je al heel snel met je hele aquarium vol guppen.” De medewerkster pakt de vissen in in plastic zakjes met water en legt die voorzichtig in de aquariumbak. “Zo, dan moet je “nog niet al die andere dingen er in doen, want anders prik je straks per ongeluk een zakje lek. Volgens mij heb je zo alles. Oh! Wat stom, natuurlijk niet! Jullie hebben natuurlijk ook nog visvoer nodig! Anders doen die visjes het niet zo lang. Kijk, dit voer kun je aan al de vissen voeren. Je schudt een heel klein beetje in het dekseltje, zo, en dan doe je dat in het water. Dat kleine beetje is echt genoeg voor al je vissen. Vissen zijn maar kleine beestjes, dus die eten ook niet zo veel. Als je ze meer geeft, dan blijft het maar liggen. Ik zal er ook nog even een boekje bijdoen over hoe je voor je aquarium zorgt.”

Mama rekent alles af en bedankt de medewerkster nog even voor de goede hulp en dan gaan ze weer naar huis. Thuis leest papa eerst even het boekje, zodat hij het niet meteen al fout doet. Dan volgt hij na het avondeten netjes de instructies over het inrichten van een aquarium en kunnen ze eindelijk genieten van het aquarium.

18 februari – de botsing

's Ochtends gaat Rik meteen even bij de visjes kijken. Ze lijken al aardig gewend aan hun nieuwe omgeving en kameraadjes. Papa heeft ze gisteravond al eten gegeven, dus ze hoeven nu nog geen eten. Rik vindt het bijna jammer dat hij naar school moet, hij had best nog wel langer kunnen blijven kijken. Maar ja, de vissen zullen er ook nog wel zijn als hij weer thuiskomt.

Op school zijn ze 's middags aan het buitenspelen als er een auto heel hard langs komt rijden. Rik hoort de juf mopperen dat dat een keertje fout moet gaan en dat als hij zo blijft rijden hij straks nog een van de kinderen aanrijdt Niet zo heel erg veel later komt de auto weer voorbij, het lijkt wel alsof hij gewoon rondjes aan het rijden is. En ja hoor, het duurt niet lang of hij komt langs voor zijn derde rondje. Maar dit keer komt er toevallig ook een andere auto uit een zijstraatje. Een zijstraatje aan de rechterkant dus de auto die er uit komt heeft voorrang, dat weet zelfs Rik al. De racende auto gaat veel te hard om nog te kunnen remmen en rijdt dwars door de motorkap van de andere auto heen. Het maakt een enorme knal en het ziet er niet naar uit dat een van beide auto's nog weer rijden kan. Gelukkig heeft de juf het hek dichtgedaan, anders zouden alle kinderen er meteen heengerend zijn om te kijken. Nu rent iedereen geschrokken naar het hek. De juf heeft haar mobiele telefoon in haar zak zitten en belt meteen een een twee voor een politie-auto en een ambulance. Uit de huizen die aan de straat staan komen al mensen gerend. Een meneer heeft zelfs geen eens een jas aan. Hij rent naar de auto's en opent de dichtstbijzijnde deur. Die zit vast aan de auto die uit het zijstraatje kwam. De bestuurder van die auto is wel geschrokken, maar kan nog zelf uit de auto stappen. Samen gaan ze naar de andere auto kijken. Daar zitten twee jongens in. De jongen die de auto bestuurde heeft zijn ogen dicht en hangt over het stuur. De andere jongen ziet heel erg bleek, maar beweegt nog wel zijn hoofd. De deur aan de passagierkant wil niet meer open. De deur aan de bestuurderkant nog wel, maar die jongen beweegt niet. De man zonder jas voelt in de nek van de bestuurder en schudt zijn hoofd. De andere jongen wordt nog witter. Rik kan alles goed zien, want hij staat vooraan bij het hek, in het hoekje het dichtste bij het ongeluk. Kort daarop komt de politie aangereden. De politiemannen stappen uit en bekijken het ongeluk. Ze stappen op de mensen af die om de auto's heen staan en praten wat. Rik kan niet precies verstaan wat ze zeggen, want de wind is de andere kant op. De juf probeert iedereen naar binnen te krijgen, maar de meeste kinderen horen haar niet eens. Het is een drukte van jewelste op het schoolplein. Iedereen praat door elkaar over wat ze gezien hebben en over wat er met de jongens aan de hand is. De politiemannen proberen ook nog eens de passagierdeur te openen, maar ook hun lukt het niet. Niet lang daarna komt ook de ambulance. De politie staat inmiddels druk in hun portofoons te praten.

De mannen uit de ambulance onderzoeken ook de jongen achter het stuur en ook zij schudden hun hoofd. Ze halen een stretcher uit de ambulance en proberen de jongen uit de auto te halen. Maar de auto is zo ver ingedeukt, dat dat niet lukt. Ze praten wat met de andere jongen, maar die schudt zijn hoofd. Rik zegt tegen Bram die naast hem staat dat hij denkt dat de jongen ook vast zit en er niet uit kan. Bram zegt dat hij denkt dat de bestuurder dood is. Daar schrikt Rik wel van, hij heeft nog nooit een dode persoon gezien. Hij hoopt stiekem dat het niet zo is, en dat de jongen alleen maar bewusteloos is.

Een paar minuten later komt de brandweer aangescheurd. Zij hebben een grote zaag mee en op aanwijzing van het ambulancepersoneel zagen ze eerst de deur aan de passagierkant open. Maar de jongen zit met zijn been klem en kan er niet uit.

Wat er verder gebeurd kan Rik niet zien, want de juf is nu een voor een iedereen naar binnen aan het sturen. En ook hij en Bram worden naar binnen gestuurd. Mopperend gaan ze naar binnen, want nu weten ze niet hoe het afloopt. Binnen mogen ze wat voor zichzelf doen.

Als Rik wordt opgehaald zijn de auto's al weggesleept. Zelfs het glas is al weggeveegd. Er is eigenlijk helemaal niets meer te zien behalve het remspoor van de auto die te hard ging. Rik vertelt mama alles wat er gebeurd is, en mama belooft dat ze vanavond even op internet zullen kijken of ze kunnen vinden hoe het afgelopen is.

Rik is heel nieuwsgierig en loopt eigenlijk de hele tijd voor het avondeten voor mama's voeten. Het is zo erg dat mama hem naar buiten stuurt met Rak tot het eten klaar is. “Ik roep je wel als we gaan eten en nou vort met jou!” Rik slentert wat rond. Hij vindt een mooie stok en gooit hem weg voor Rak die rent er achter aan om hem te halen.

Eindelijk roept mama dat ze gaan eten. Rik en Rak rennen snel naar huis. Eerst even handjes wassen en dan aan tafel. Papa zit ook al aan tafel en Rik vertelt weer wat hij gezien heeft.

Pas na het eten zet papa eindelijk de computer aan om te kijken hoe het ongeluk is afgelopen. “Er staat hier dat de bestuurder inderdaad overleden is, hij had geen gordel om en hij had ook nog geen rijbewijs. De passagier heeft alleen een gebroken been en de man uit de andere auto is alleen geschrokken. Dus zo zie je maar, de regels zijn er niet voor niets. Ik ben wel heel blij dat die andere man niets heeft, hij kon er helemaal niets aan doen. Behalve dat hij misschien iets beter uit had kunnen kijken.” Ze praten nog een beetje na over het ongeluk, maar dan is het al weer tijd voor Rik om naar bed te gaan.

19 februari – de grote stad

Rik heeft niet zo goed geslapen. Hij had best wel enge dromen over auto's die op elkaar botsten. Hij had zelfs nog een droom over een auto die alle andere auto's wilde zoenen en daarom tegen elke auto die hij zag aanbotste. Als hij die droom op het schoolplein aan Bram vertelt moet die onwijs hard lachen. “Zoenende auto's? Maar dan blijft er van die vrijkont toch niets over?” “Nee, maar nog genoeg om te rijden, blijkbaar. Toen ik wakker werd reed hij nog steeds.” Dan gaat de schoolbel en rennen ze naar binnen.

Binnen is de juf even wat anders aan het doen, en dus praten alle kinderen over het ongeluk van gisteren. Nog niet iedereen wist dat de jongen achter het stuur overleden was. Als de juf hoort waar ze over praten, vertelt zij nog eens het hele verhaal, zodat er geen rare verhalen verteld worden. Daarna praten ze er nog heel even over, voordat de juf vertelt wat ze vandaag gaan doen. Vandaag gaan ze een grote stad knutselen met zijn allen. Met huizen, flats en als iemand dat wil, ook kerken. En daartussen komen straten. Als er dan nog tijd over is aan het einde van de dag kunnen ze met de autootjes door de straten rijden. En morgen gaan ze dan wat verkeersregels leren om de ongelukken in de stad te voorkomen. De juf geeft iedereen een doos en een schaar en verdeelt wat gekleurd papier, lijm en stiften over de tafels. Bram heeft een hele grote doos en gaat er een flat van maken. Hij beplakt de doos met vrolijke kleurtjes en tekent er dan raampjes op. Marieke heeft een wat kleinere doos, maar die heeft uit de knutselkast ook wat wc-rolletjes gehaald en wil er een kerk of moskee van maken. Rik heeft ook een grote doos, maar dan een hele platte. Hij besluit om er een groot magazijn van te maken. Hij beplakt de doos met saai grijs en plakt er dan in rood allemaal grote deuren op. Op de deuren tekent hij horizontale lijntjes, zodat het op grote rolluiken lijken. Andere kinderen maken ziekenhuizen met helicopterplatformen op het dak, en scholen, en mooie huizen. De juf heeft intussen een aantal van de speelhoeken opgeruimd en aan de kant gezet zodat ze een grote open ruimte krijgt. Hier komt de stad te staan. Iedereen die klaar is mag zijn gebouw neerzetten en een straat gaan maken van grijze stroken die de juf heeft. Sommige kinderen zetten de gebouwen tegen elkaar aan, zodat er lange straten ontstaan, want niet tussen alle gebouwen loopt een straat door. Als Rik zijn straat klaar heeft en nog niet iedereen klaar is, pakt hij een stuk groen papier en plakt er dunne witte lijnen op. Het wordt een voetbalveld. Bram heeft ook niets meer te doen en helpt hem om de lijntjes kloppend te maken. Want de ronde cirkel in het midden en de halve cirkels om het doel zijn nog niet zo makkelijk. Als ze er mee klaar zijn, zijn de meeste andere kinderen ook klaar. Ze leggen het voetbalveld ergens aan de rand van de stad die inmiddels al best groot wordt. Marieke haar kerk is nog niet helemaal af, maar ze wil niet dat andere kinderen haar helpen. Sommige kinderen gaan nog een tweede huis maken, want met dertig gebouwen is het natuurlijk nog maar een klein dorpje. Rik maakt nu een gewoon huis. Zijn doos is een gewone rechthoek, maar met twee stukken karton maakt hij er een puntdak op. Aan de voor- en achterkant kun je er dan wel doorheenkijken, maar dat geeft niet. Hij tekent er twee deuren op, aan de voorkant een en aan de achterkant een. Dan tekent hij drie ramen op de voorkant, een op de zijkant, en nog drie aan de achterkant. Boven de voordeur is het raam maar klein, want dat is het badcelraam. Al snel is het huis klaar en kan hij het aan een straat zetten. Bram heeft ook nog een huis gemaakt, of eigenlijk is het een heel rijtje huizen. “ja, want je hebt ook huizen die aan elkaar vast zitten!” zegt hij trots. Hij vindt het best een goed idee van zichzelf, en Rik kan hem geen ongelijk geven. Na een uurtje is het al een grote stad, Marieke haar kerk is eindelijk klaar en krijgt een ereplaatsje midden in het dorp op een plein. Nu mag niemand meer een nieuw huis maken, de stad is al zo groot dat de open ruimte die de juf vrijgemaakt had al bijna helemaal vol is. De juf pakt nu de doos met autootjes en deelt aan iedereen die al klaar is een autootje uit. Rik krijgt een heel grappig geel autootje, dat de juf een lelijke eend noemt. Wie een auto heeft mag door de stad rijden. Rik rijdt van zijn huis naar het voetbalveld, maar krijgt onderweg een aanrijding. Bram speelt Rik zijn droom na en doet zijn best om zijn auto te laten botsen met alle andere autootjes. Aan het einde van de dag heeft iedereen wel een botsing gehad, ook als je de botsingen met Bram niet meerekent. “Zo,” zegt de juf, “morgen gaan we leren hoe we al die botsingen kunnen voorkomen. En kun je morgen je auto zijn verliefdheid afleren, Bram?” Eigenlijk heeft vandaag niemand zin om naar huis te gaan, ze willen allemaal verder spelen met de stad.

20 februari – verkeersregels

Het eerste wat de juf de volgende dag doet is het uitleggen van de vier belangrijkste voorrangsregels in het verkeer. “De allereerste en belangrijkste regel is dat auto's met sirenes en zwaailichten altijd voorgaan, maar alleen als ze die ook aanhebben. De tweede regel is dat verkeer op een voorrangsweg voorrang heeft. De derde regel is dat verkeer dat rechtdoor gaat op dezelfde weg voorrang heeft op verkeer van de andere kant dat af wil slaan. En de vierde regel is dat verkeer van rechts voorrang heeft.” Die laatste kende Rik al. Een voor een moeten de kinderen de regels op de goede volgorde herhalen. Als iedereen de regels kent, legt de juf de volgende opdracht uit. De juf heeft voor iedereen een aantal blaadjes met daarop plaatjes van een straat met daarop steeds twee auto's. De kinderen moeten dan omcirkelen wie er voorrang heeft. Als iedereen dat af heeft, legt de juf voor alle plaatjes uit wie er echt voorrang had. Rik heeft bijna alle plaatjes goed. De volgende opdracht is al wat moeilijker. Nu staan er meer dan twee auto's op het plaatje en moeten de kinderen met groen de auto die als eerste mag omcirkelen, met geel degene die als tweede mag, met blauw degene die als derde mag en met rood degene die als vierde mag. Als er een vierde auto op het plaatje staat, want de meeste plaatjes hebben maar drie auto's. Nu duurt het best wel wat langer voordat iedereen klaar is. Sommige kinderen overleggen ook met elkaar. Als iemand daar iets van zegt, zegt de juf dat het wel mag, want het is geen toets en het is de bedoeling dat je er iets van leert. Daar mag je elkaar best bij helpen. Een kwartier voordat de ochtend om is, bespreekt de juf alle antwoorden. Nu heeft Rik er toch al wat meer fout. Gelukkig legt de juf ook uit waarom de auto's voorrang hebben. Dan is de ochtend al weer om en moeten ze weer naar huis om te eten.

's Middags herhalen ze met zijn allen nog een keer de vier regels en dan mag iedereen weer een autootje pakken en door de stad rondrijden. Nu zijn er heel wat minder botsingen. Zelfs Bram botst nu niet meer expres, want ook hij wil laten zien dat hij de regels goed geleerd heeft. Rik stopt af en toe zelfs als hij niet helemaal zeker weet wie er voorrang heeft. Dat lijkt hem nog altijd beter dan botsen omdat hij denkt dat hij voorrang heeft. Na een half uurtje vraagt de juf aan iedereen hoe vaak ze een botsing hebben gehad. De meeste kinderen hebben nu maar een of twee keer gebotst. En sommigen, zoals Rik, zelfs helemaal niet. “Goed zo, nu weten jullie hoe je de meeste botsingen kan voorkomen. Maar nu ga ik het wat moeilijker maken, want er waren nog geen voorrangswegen in het dorp, en er reden ook nog geen hulpdiensten tussendoor. Ik ga nu haaientanden tekenen op de weg. Als de tandjes naar je auto wijzen, dan wil dat zeggen dat de andere auto's voorrang hebben. En ik heb hier ook nog een paar politie-autootjes en brandweerwagens.” De juf deelt snel de autootjes uit aan een paar kinderen die geen botsingen gemaakt hadden en tekent vervolgens op een aantal kruisingen haaientanden aan twee kanten. “Zo, jullie mogen weer. En denk er om, voorzichtig in het verkeer!” En weer gaan de auto's in cirkels door de stad. Kris-kras door elkaar, maar het gaat steeds beter. Er zijn nu meer kinderen die wat voorzichtiger rijden en andere mensen voorrang geven ook als ze die niet hebben. Behalve bij de voorrangskruisingen, want daar is het heel makkelijk wie er voorrang heeft. Na een half uurtje, vindt de juf het mooi geweest en gaan ze buiten spelen. Maar de kinderen hebben er nog lang geen genoeg van en spelen buiten zelf autootjes. De juf moet lachen en gaat krijt halen zodat de kinderen straten op het schoolplein kunnen tekenen. En al snel is het schoolplein in een wirwar van straten veranderd met voorrangskruisingen. Sommige kinderen lopen langzaam door de straten, maar Bram rent zo hard als hij kan, zodat hij heel hard moet remmen als hij moet stoppen. Daardoor gaat het dus ook wel eens fout en dan botst hij tegen iemand anders op. Maar dan roept hij gewoon heel hard sorry en rent vrolijk weer verder. Aan het eind van de middag komt mama Rik weer halen. Rik babbelt vrolijk over alles wat ze gedaan hebben vandaag en over alles wat hij geleerd heeft. Mama is erg onder de indruk, “Zo, het ziet er naar uit dat je misschien straks na je verjaardag toch wel alleen naar school kan, als Rak met je meeloopt. We zullen het er vanavond nog eens met papa over hebben.”

Tijdens het eten vertelt Rik papa ook wat hij allemaal geleerd heeft en wat ze allemaal gespeeld hebben op school, met de stad en op het schoolplein. Papa is ook onder de indruk en is het met mama eens dat Rik na zijn verjaardag best met Rak naar school kan lopen. Ze spreken af dat Rik morgen met mama en Rak alvast een keer naar school loopt om te oefenen.

21 februari – De zieke juf

Maar de volgende ochtend wordt er al heel vroeg gebeld, de juf is ziek. Rik is teleurgesteld, want hij had zich best verheugd op het naar school lopen. En mama is ook niet blij, want zij had vandaag afgesproken om met een vriendin mee naar een leuke beurs te gaan. En dat is helemaal niet leuk voor Rik. Mama wil al bijna haar vriendin gaan bellen als papa zegt dat Rik best wel een dagje mee naar kantoor kan. “Als de jongens er last van hebben, dan neem ik wel een dagje vrij. Ga jij maar lekker naar de beurs, dan pas ik wel eens een keertje op Rik. Heb je zin om mee te gaan naar kantoor Rik?” Rik knikt enthousiast, hij is nog nooit op papa's kantoor geweest, maar hij heeft er natuurlijk best veel over gehoord. En hij is reuze-benieuwd wat papa de hele dag doet op kantoor. Mama smeert snel wat broodjes voor iedereen, want papa gaat eigenlijk altijd iets eerder weg dan dat Rik naar school gaat. En dus moeten ze een beetje opschieten. Rik doet hard zijn best om op te schieten, maar dat valt nog niet mee. Want hoe harder hij probeert om snel te doen, hoe langzamer het gaat. Als hij probeert zijn broek sneller aan te doen, steekt hij een been naast de pijp. Als hij probeert zijn sok snel aan te doen, valt de sok uit zijn handen. Uiteindelijk geeft hij het op en doet hij alles gewoon normaal, dat gaat toch een stuk sneller. Eenmaal aangekleed gaat hij naar beneden. Mama geeft hem een broodje en stopt zijn andere broodje in een plastic zakje, want papa is al bijna klaar om te vertrekken. Rik neemt een grote hap, maar kauwt wel goed, want anders krijgt hij straks weer de hik. Papa is al klaar met eten als Rik pas halverwege zijn boterham is. Dus helpt papa Rik in zijn schoenen terwijl Rik nog aan het eten is. Dan snel zijn jas aan en met zijn laatste stukje brood in zijn ene hand en zijn zakje brood in de andere hand loopt Rik achter papa aan naar de auto.

Papa zijn werk is niet zo heel ver weg, maar het is wel verder dan school. Het is een heel groot kantoor met een grote parkeerplaats er naast. Papa parkeert de auto en dan stappen ze uit. Ze moeten om het gebouw heen lopen, want de ingang bij de parkeerplaats kun je alleen gebruiken als je een pasje hebt. En Rik heeft natuurlijk geen pasje. Dus moeten ze langs de hoofdingang om hem aan te melden. Papa legt aan de bewaker uit waarom Rik mee is en gelukkig is het een aardige meneer, want hij vindt het zomaar goed en geeft Rik een bezoekerspas. “Maar niet rennen door het gebouw he? Ik wil straks geen klachten dat je iedereen gestoord hebt bij hun werk!” “Nee, meneer. Ik zal netjes bij papa blijven.” “Zo mag ik het horen. Veel plezier vandaag. En als je je nou heel erg verveelt vanmiddag, dan mag je ook wel even bij mij komen zitten. Ik heb tot twee uur dienst.” Dat klinkt wel spannend, om bij de bewaker te mogen zitten. “Misschien kom ik nog wel even langs om te kijken,” belooft Rik, “Dag!” Papa groet de bewaker ook nog een keer en dan gaan ze door een draaideur naar binnen. Bij die draaideur moet je eerst je pasje voor een lampje houden. Eerst is dat lampje rood, maar als je de pas er voor houdt dan wordt het groen en mag je door de deur. Rik vindt het allemaal maar spannend. Achter de draaideuren is nog een hal, maar hier zit geen bewaker, maar staat een koffieautomaat en een snoepautomaat. Achterin de hal zijn vier liften. Papa loopt meteen door naar de lift. Rik loopt er snel achteraan, maar past er wel op dat hij niet rent. Papa drukt op het knopje van de lift. Ze moeten even wachten voordat de lift komt. Terwijl ze wachten komen er nog meer mensen aan die ook met de lift willen. In de lift drukt papa op het knopje met de zeven er op. De andere mensen willen allemaal naar andere verdiepingen, dus ze moeten eerst nog even op de vierde verdieping stoppen, voordat de lift op de zevende verdieping aankomt. Papa en Rik stappen uit en zeggen de mensen die nog in de lift staan gedag. Uit de lift komen ze weer op een gang, hier staat nog een koffieautomaat, maar geen snoepautomaat. Papa loopt naar een deur aan de andere kant van de gang en wijst Rik onderweg naar de wc's. “Kijk, daar zijn de wc's, dus als je plassen moet, dan weet je vast waar ze zijn.” Achter de deur waar papa heenloopt zit een groot kantoor. Er zitten al best een boel mensen, terwijl volgens Rik de school nog niet eens begonnen zou zijn. Papa stelt Rik aan alle mensen voor. “Goedemorgen allemaal, dit is mijn zoon Rik. Zijn juf was ziek en mijn vrouw moest een dagje weg, dus komt hij gezellig bij ons zitten. Kijk Rik dit zijn mijn collega's. Dat is Jan, en die daar heet Hans.” Een voor een wijst hij iedereen aan. Er is een Roel, en een Marian, een Kees en een Farid, Roderik en Carolien. Het zijn best een boel namen om allemaal te onthouden. “Ha,” zegt Roderik, “nog een Rik! Dan mag je mij ook wel Rik noemen hoor. Dat doet iedereen hier.” “Haha,” grapt papa, “dan hebben we een grote Rik en een kleine Rik.” Rik moet lachen, “Grote Rik en Roderik lijken wel een beetje op elkaar!” Daar moet iedereen wel om lachen. “Nou Rik, zie daar maar weer eens van af te komen. Straks noemen ze je allemaal grote Rik,” zegt Carolien tegen Roderik.

Papa heeft zich vanmorgen stiekem goed voorbereid, want hij heeft Rik zijn kleurpotloden meegenomen. Rik mag aan een bureau gaan zitten van iemand die vandaag niet komt en krijgt een stapeltje papier dat papa bij de printer vandaan gehaald heeft. Rik gaat het kantoor tekenen en is druk bezig als er nog een collega binnenkomt. Het is de collega die een tijdje terug op visite geweest is. “Ha Rik,” roept de man, “Kom je vandaag ook bij ons werken? Ik zie dat je al aan het tekenen bent. Ga je het hier een beetje versieren? Ons kantoor kan best wat meer kleur gebruiken.” Rik moet lachen en probeert zich te herinneren hoe de man ook al weer heet. Oh ja, hij weet het weer. Fred heet hij, en zijn vrouw heette Anneke. “Dag Fred, ja, ik kom de muren versieren. Ik hoorde van papa dat het hier veel te saai was.” Rik tekent tot het tijd is om te gaan eten. Om twaalf uur gaat iedereen samen met de lift naar boven, want daar is de kantine. Tijdens het eten praat iedereen nog steeds over het werk. Rik snapt er niet zo veel van, dus loopt hij stil achter papa aan. In de kantine kan iedereen zijn eten kopen. Rik mag zelf kiezen wat hij eet. Hij loopt even rond om te kijken wat er allemaal is. Eerst wil hij gewoon een paar broodjes kopen, maar dan ziet hij dat ze ook een hamburger op een broodje hebben. Dat is natuurlijk veel lekkerder. Papa koopt voor hem een hamburger en neemt bij de kassa ook een chocoladereepje voor hem mee. “Die is voor vanmiddag.”

Na het eten herinnert Rik zich dat hij de bewaker beloofd had om nog even langs te komen. Het is pas half een, dus dat kan nog, want hij ging om twee uur weg. Papa brengt hem even naar boven en helpt hem nog een keer herinneren dat als hij weer terug wil, dat hij dan naar de zevende verdieping moet. De bewaker is blij om Rik te zien en legt uit dat zijn werkt soms best wel een beetje saai is. Want eigenlijk hoeft hij alleen maar bij de deur te zitten om mensen binnen te laten. Gezellig babbelen ze wat en voordat ze het weten is het al twee uur en komt de volgende bewaker om de man af te lossen. Rik neemt afscheid en gaat weer door de draaideuren naar de lift. Bij papa in het kantoor gaat hij weer tekenen. En voordat hij het weet is het alweer tijd om naar huis te gaan. Rik zwaait naar papa's collega's. “Dag allemaal!”

22 februari – logeren

Rik heeft vakantie en hij mag bij opa en oma logeren. Hij blijft wel drie nachtjes, want papa en mama gaan een weekendje weg met zijn tweeen. Rik is niet bang voor heimwee, hij heeft wel vaker een nachtje bij opa en oma geslapen. Hij zal alleen Rak wel missen, want die blijft bij de buurman. Maar opa heeft beloofd dat ze zo veel leuke dingen gaan doen dat hij zich geen moment zal vervelen. Opa heeft namelijk hout geregeld en gaat vandaag samen met Rik een vogelkastje bouwen. De werkbank heeft hij al in de tuin gezet. Eerst gaan ze in de schuur de onderdelen op het hout tekenen. Er moet een rechthoek komen voor de achterkant, en ook een voor de voorkant, maar die moet ietsje hoger zijn. Dan komen er twee zijkantjes, die hebben een schuine kant, zodat het dakje mooi schuin naar achter afloopt. Het dak en de bodem zijn ook rechthoekjes. Opa heeft al van te voren uitgerekend hoe groot alle plankjes moeten zijn. Als alle stukjes op de plank getekend zijn, dan moet alles uitgezaagd worden. Opa heeft een decoupeerzaag, zodat je mooie rechte lijntjes kan zagen. Oma vindt rik daar eigenlijk nog veel te klein voor, maar opa gaat gewoon achter hem staan en houdt de zaag ook vast, zodat er niet zo veel mis kan gaan. Opa helpt Rik ook goed sturen, want dat is best heel moeilijk, en het moet natuurlijk wel precies recht, anders past het straks niet. Na een half uurtje zagen liggen alle onderdelen klaar. Nu moet er nog een gat in de voorkant. Opa heeft een hele mooie cirkelzaag, die in een keer een rondje zaagt. Het zaagje moet je op een boormachine zetten, en er zit een boortje in het midden zodat je precies weet waar het midden van het rondje komt. Vlak onder het rondje, boort opa nog een gaatje, daar moet straks een stokje in, zodat het vogeltje kan landen. Nu is het tijd om het huisje in elkaar te zetten. Eerst gaan ze het huisje in elkaar lijmen en dan slaan ze het vast met spijkertjes, zodat het echt niet meer los gaat. Op aanwijzing van opa doet Rik de lijm op de randjes. Eerst het randje van de onderkant. Gelukkig hoef je de lijm niet meteen aan te drukken, want nu moeten alle zijkantjes van het huisje nog. Van de vier plankjes die tegen de bodem aan moeten komen, hoeft er alleen lijm op de twee zijkantjes, want die vallen precies tussen de voor en de achterkant. Opa helpt Rik om alle vier de plankjes precies goed tegen de bodem en elkaar aan te drukken. Zelfs met vier handen is dat nog best lastig, maar uiteindelijk is het toch gelukt. Dan mogen de bovenrandjes van de zijkantjes ingesmeerd worden. Opa houdt het huisje vast, zodat Rik het niet meteen weer uit elkaar duwt als hij de lijm er op smeert. En als laatste leggen ze het plankje voor het dak voorzichtig er bovenop.

Het vastspijkeren van het huisje moet wachten tot na de lunch, want oma heeft tosti's gemaakt. Van al dat harde werken heeft Rik hartstikke honger gekregen. Hij eet wel vier tosti's op! Net zoveel als opa en oma samen. “maar ja, dat is ook logisch, want jij bent aan het groeien, en wij krimpen alleen nog maar!” vindt opa. Als de broodjes op zijn, gaan opa en Rik weer aan het werk. Opa pakt een doos met kleine spijkertjes van de plank en een hamer uit de gereedschapskist. Rik pakt de hamer aan en pakt een spijkertje uit het doosje. Opa zet het vogelhuisje op zijn kant, zodat ze eerste de bodem vast kunnen maken, die is iets makkelijker dan het scheve dak. Rik zet het spijkertje voorzichtig op een hoekje en slaat zachtjes met de grote hamer tot het spijkertje zelf blijft slaan. Nu pakt hij de hamer met twee handen vast en slaat wat harder. Langzaam verdwijnt het spijkertje in het hout. Zo slaat hij een voor een alle spijkertjes er in. Iedere zijkant zetten ze vast met drie spijkers. En dan zijn de voor en achterkant aan de beurt. Ook daar gaan aan alle kanten drie spijkers in. Als laatste wordt het dak vastgezet, Rik heeft nu goed door hoe hij moet hameren en de spijkers slaat hij al bijna niet meer krom. En dan zit het vogelhuisje echt goed in elkaar. Als allerlaatste moeten ze nog even het uiteinde van het stokje voor onder het gaatje met lijm insmeren en in het gaatje duwen. En dan is het vogelhuisje echt klaar. Het moet eigenlijk nog geschilderd worden, maar opa zegt dat ze daar beter nog even mee kunnen wachten tot de lijm echt droog is, en dat duurt nog een dag. Maar ze kunnen al wel de verf gaan kopen. En dus stapt opa met Rik in de auto, op weg naar de bouwmarkt om een mooie kleur verf te gaan halen. In de winkel hebben ze echt verschrikkelijk veel verschillende kleuren. Rik twijfelt, “Bruin en groen zijn natuurlijk kleuren waarin de vogeltjes zich thuis voelen, maar blauw is ook wel heel erg mooi!” Opa zegt dat hij niet eens weet of vogeltjes wel kleur kunnen zien, “Niet alle dieren kunnen kleuren zien, wist je dat? Ik vind blauw zelf ook wel mooi. Zullen we dan maar voor blauw kiezen?” Maar daarmee zijn ze er nog niet, want er zijn ook nog eens heel veel kleuren blauw. Rik kiest uiteindelijk voor een kleur blauw die het meest op de lucht lijkt. “Want als de vogeltjes dan wel kleur kunnen zien, dan lijkt het op de lucht, en daar voelen ze zich ook thuis!”

Weer terug bij opa en oma in huis is het al bijna etenstijd. Oma bakt lekkere aardappeltjes en in de oven braden al de kippenpoten. Dan nog appelmoes erbij en het feestmaal is compleet. Het wordt een echte smulpartij. Opa is blij dat Rik er is, want normaal krijgt hij niet van die lekkere kippenpoten.

Voor 's avonds heeft oma een mooie film uitgekozen die ze kunnen kijken. En dan is het tijd voor Rik om naar bed te gaan. Mama heeft vanmorgen al zijn tas met kleren op de logeerkamer gezet en zijn beer en pyama al op het bed gelegd. Dus nog even tandjes poetsen en hij kan zijn bed induiken. “Welterusten!”

23 februari – naar de dierentuin

Rik wordt wakker en heeft even moeite met bedenken waar hij is. Dan weet hij het weer, hij is logeren bij opa en oma en vandaag gaan ze naar de dierentuin. Hij weet niet zo goed hoe laat het al is, want er hangt geen klok in de logeerkamer. Maar dan hoort hij oma al door het huis lopen en zachtjes klimt hij zijn bed uit. Het begint al een klein beetje licht te worden, dus het is echt al de volgende ochtend. Oma loopt al aangekleed beneden, “Goedemorgen Rik!” “Goedemorgen oma, er hangt geen klok in mijn kamer, dus ik wist niet hoe laat het was en of ik er al uit mocht.” “Oh jee, daar hebben we gisteren helemaal niet aan gedacht he? Nou dan moeten we vanavond eens even op zoek gaan of we niet nog ergens een klok hebben die we neer kunnen zetten. Maar het is al acht uur geweest en dus mag je je wel gaan wassen. Opa ligt nog in bed, maar die moet er ook zo uit, dus je hoeft niet zo heel zachtjes te doen hoor.”

Rik loopt weer naar boven. Opa ligt nog steeds zachtjes te snurken, dus de badcel is nog vrij. Rik gaat zijn tanden poetsen en zich wassen en kleedt zich daarna aan. Net als hij klaar is komt oma naar boven om opa uit zijn bed te trekken. “Help je even mee opa wakker maken? Hij moet er nu echt uit, anders zijn we straks te laat voor de dierentuin!” Rik loopt mee de slaapkamer in en schudt opa aan zijn schouders. “Opa, wakker worden, we moeten zo weg!” Opa murmelt wat en doet dan zijn ogen open, “Is het al weer zo laat?” “Ja opa, het is echt tijd om op te staan, anders zijn oma en ik straks al weg!” zegt Rik streng. En dus staat opa ook snel op. Oma en Rik gaan intussen alvast wat broodjes maken. Niet alleen voor het ontbijt, maar ook alvast voor de lunch, om mee te nemen. Opa is gelukkig snel klaar en dan kunnen ze weg. Terwijl opa zijn broodjes opat, heeft oma ook nog wat flesjes drinken in de tas gestopt.

In de dierentuin wil Rik eerst naar de leeuwen en de tijgers. Die vindt hij het mooiste van allemaal. Opa heeft zijn fotocamera mee, dus ze blijven lekker lang kijken naar de tijgers. Er zijn drie tijgers, en ze zitten allemaal in hun eigen kooi. Na de tijgers gaan ze bij de leeuwen kijken, en die zitten wel allemaal samen in een kooi. Rik vraagt zich af waarom dat is. Oma denkt dat het komt omdat tijgers altijd alleen leven in de natuur, en leeuwen in grote groepen van een mannetje en een hele groep vrouwtjes. “Kijk maar, er is maar een mannetjesleeuw in de kooi, dat zie je aan de manen. De rest zijn allemaal vrouwtjes.” Opa moppert een beetje op de kooi, want die maakt het heel moeilijk om mooie foto's te schieten. Oma vindt dat hij niet zo moet zeuren, “Nou, maar als die kooi er niet was, dan kon je ook geen foto's maken, want dan vraten die leeuwen je op!” Rik moet lachen, “Maar dan worden het wel spannende foto's, zo zijn bek in!”

Na de leeuwen en tijgers lopen ze naar de apenkooi. Oma heeft gehoord dat de gorilla's een jonkie hebben. Het is een hele mooie apenkooi en je kunt zelfs bijna helemaal om het hok van de gorrilla's heen lopen, zodat je ze van alle kanten kun zien. En dat is maar goed ook, want omdat er een jonkie is, is het er heel erg druk. Opa is weer druk bezig met foto's maken en moppert dat het zo warm is binnen, omdat dat helemaal niet goed is voor zijn camera, zo na de koude buitenlucht. Rik vindt maar dat opa veel moppert, “Oma, vindt opa het wel leuk? Hij moppert zo veel.” “Wat? Natuurlijk vindt opa het wel leuk om met jou naar de dierentuin te gaan. Alleen, als hij foto's aan het maken is, dan moppert hij altijd een beetje. Want er is altijd wel iets waardoor hij niet de perfecte foto kan maken.” Rik is opgelucht en wurmt zich dan tot vlak voor het glas waar het jonge gorilla-aapje aan het spelen is met een juten zak. Hij verstopt zich er helemaal onder en ligt dan te rollen zodat er af een toe een arm of been uitsteekt. In de verte bungelt een van de grotere gorilla's aan een autoband die aan een touw is opgehangen. Het is net een kind in een speeltuin, maar dan een beetje harig. Het baby-aapje is intussen uitgekeken op de zak en gaat zijn grote zus lastig vallen. Ze stoeien zo wild, dat Rik bang is dat het kleine aapje het niet overleeft, maar oma zegt dat er op de bordjes staat dat dat zo hoort en dat kleine aapjes een stuk steviger zijn dan kleine kindjes. Ze blijven wel een kwartier lang bij de gorilla's kijken, voordat ze verder lopen naar de andere apen. De dierentuin heeft apen echt in alle soorten en maten. Van de hele grote gorilla's tot hele kleine aapjes die net zo groot zijn als Rik zijn handen.

Na de apen komen ook de olifanten en giraffen, de nijlpaarden en de kangoeroes. Er zijn ook heel veel soorten vogels, van een gewone pauw tot een enorme condor, van zwarte zwanen tot bonte papagaaien. Tussen de middag gaan ze even op een bankje zitten om hun broodjes op te eten, maar ze moeten al snel weer opstaan om niet te koud te worden. Dus gaan ze snel een restaurant in om een kopje thee te kopen. Daar worden ze weer lekker warm van.

Als ze alle dieren bekeken hebben, is Rik best wel moe van al het lopen. Voordat ze naar huis gaan, bezoeken ze nog even de winkel met souvenirs. Rik mag wat leuks uitzoeken en koopt een knuffel van de kleine babygorilla, want ondanks dat tijgers zijn lievelingsdieren zijn, vond hij die toch wel het leukst.

24 februari – naar het museum

Op maandag gaat Rik met opa en oma naar het museum. Rik is nog nooit naar een museum geweest dus hij is wel benieuwd hoe dat gaat. Opa verklapt dat ze niet naar een gewoon saai museum gaan, waar alleen maar schilderijen hangen, maar dat ze naar een spannend museum gaan dat eigenlijk vooral voor kinderen bedoeld is. Ze gaan naar een heus techniekmuseum, waar je allerlei proefjes kan doen. Het museum zit in een mooi modern gebouw. Meteen aan de voorkant begint het al, want er staat een hele grote knikkerbaan voor de deur. De knikkerbaan is wel twee keer zo hoog als opa is en de knikkers zijn dan ook zo groot als biljartballen. Rik blijft even staan kijken, want zo iets heeft hij nog nooit gezien. De ballen rollen naar beneden, door allerlei buizen en door raderwielen, en sommige ballen gaan de ene kant op en andere de andere kant. Er vliegen zelfs ballen door de lucht! Maar uiteindelijk komen ze allemaal weer beneden aan waar ze door een soort liftje weer naar boven gebracht worden. Rik vindt het machtig mooi. “Ga je nog mee naar binnen Rik? Daar zijn nog veel meer mooie dingen te zien hoor!” Opa wordt een beetje ongeduldig. Het is ook niet zo heel warm buiten. Rik gaat mee naar binnen om kaartjes te kopen. In de hal bij de ingang zijn een heleboel kapstokken zoals ze die op school ook hebben. Er hangen ook al een heleboel jassen. Oma hangt Rik zijn jas in een hoekje, zodat ze het makkelijk terug kunnen vinden. Opa en oma zelf houden hun jassen bij zich, want daar zitten allemaal sleutels en hun portemonnee enzo in. Het museum heeft ook een bioscoop met een heel groot scherm. Er draait vandaag een spannende film over de ruimte, dus opa koopt ook kaartjes voor de film. “Dan moeten we niet vergeten dat we daar om twee uur moeten zijn!” zegt oma waarschuwend. Maar het is nu pas elf uur, dus ze hebben nog tijd zat om alle leuke dingen te doen. Het museum is opgedeeld in allerlei afdelingen met verschillende thema's. Zo is er de afdeling met als thema natuurkunde. Rik snapt niet helemaal waarom het zo heet, want met natuur heeft het weinig te maken. Zo is er bijvoorbeeld een spijkerbed waar je op kunt gaan liggen. Dan ga je eerst op een plastic plaat liggen met allemaal gaatjes en als je dan op een knop drukt, dan komen de spijkers omhoog. Rik vindt dat toch wel een beetje eng klinken en durft er niet zo goed op. Opa leest het bordje voor dat er naast staat met de uitleg waarom je er prima op kunt gaan liggen. Rik kijkt toe hoe een ander meisje er wel op gaat liggen. Ze giechelt dat het kriebelt, maar dat het verder helemaal niet zeer doet. Rik twijfelt even, maar doet het toch maar niet. Dan is er ook nog een soort van schommel, waar je in een stoel moet gaan zitten waarop je volgens oma kan voelen hoe het is om in de ruimte te werken. Opa gaat op de ene stoel zitten en Rik op de andere. Eerst moeten ze een bout vastdraaien, en dan aan een wiel draaien. Maar de stoel waar je op zit hangt aan kettingen en draait alle kanten op. Na die twee klusjes, moet je jezelf een zet geven om aan de andere kant van de stellage te komen. Wie daar het eerste is heeft gewonnen. Het is heel erg moeilijk allemaal, omdat je niet zo goed kracht kan zetten, maar ook wel heel erg leuk. Opa is net ietsje sneller klaar dan Rik. “Gefeliciteerd opa, u bent een betere astronaut dan ik!”

De derde proef die ze proberen is het bouwen van een grote boog met allemaal kussens. De kussens hebben allemaal een net even andere vorm, maar gelukkig staan er nummers op om te bepalen in welke volgorde het moet. Opa en Rik beginnen er samen aan, maar al snel moet oma helpen, want de boog komt zelfs boven opa zijn hoofd uit. De boog zit bijna in elkaar en Rik probeert het laatste blok er tussen te zetten door op een stoel te gaan staan. Als het laatste blok er tussen zit kijken ze of het blijft staan. Maar helaas hebben ze de blokken niet netjes genoeg op elkaar gezet en stort de hele boog in. Nu weet Rik waarom de blokken niet van hout zijn, want hij krijgt er eentje op zijn hoofd. Omdat het een kussen is, doet het gelukkig niet echt zeer.

Daarna gaan ze naar een tentoonstelling over licht. Daar moet je op een knop drukken en dan komt er een bordje tevoorschijn. Het bordje is wit. Als je nog een keer op de knop drukt, komt er nog een bordje omhoog. Dat is nog witter. Zo komen er een voor een tien bordjes omhoog die steeds witter zijn. Uiteindelijk gaat de lamp uit die op de bordjes scheen en blijkt dat het eerste bordje gewoon zwart was. Rik snapt er helemaal niets van, hoe kan een wit bordje nou zwart worden? Of een zwart bordje wit lijken? Het lijkt wel magie. Er zijn ook nog een heleboel andere proefjes over licht, die ze allemaal een voor een uitproberen.

Dan zegt oma dat ze honger heeft en dat het tijd wordt om het restaurant eens te gaan bekijken. Het restaurant is boven en ze verkopen er allemaal lekkere dingen. Rik wil wel pizza en opa neemt sateh met patat. Oma neemt een lekker broodje. De warme maaltijden zijn niet meteen klaar en ze krijgen een gek rond schijfje mee die ze op hun tafel moeten leggen. Een paar minuten later begint het schijfje opeens te piepen en gaat er een lampje in branden. Rik snapt niet zo goed hoe dat kan, zou er een wekker in zitten? Opa zegt dat hij denkt dat er een soort van radiootje in zit, zodat ze in de keuken een signaaltje naar het radiootje kunnen sturen als het klaar is. Rik vindt dat er maar knappe mensen in het museum werken als ze dat allemaal kunnen bedenken. Na de lunch is het al tijd om naar de film te gaan. De film is heel spannend en het lijkt bijna alsof je zelf in de ruimte zit, en het is geen eens een 3D-film. Na de film doen ze nog een paar laatste proefjes, maar dan is het al weer tijd om naar huis te gaan. Rik vindt het wel jammer, want hij had best nog meer willen doen.

25 februari – weer naar huis

Papa en mama zijn weer thuis en komen Rik dus weer ophalen. Ze hebben ook nog wat lekkers meegenomen voor opa en oma. Het is een soort van cake, en omdat die best wel groot is, snijdt oma er vast plakken van af om uit te delen bij de koffie. En dus blijft Rik nog wat langer, want eerst moet de koffie op. Rik lust geen koffie, maar oma heeft voor hem lekkere limonade ingeschonken. De cake lust Rik wel en hij krijgt een hele dikke plak. Rik vertelt tussen de happen door wat ze allemaal gedaan hebben en bedenkt zich dan plotseling dat het vogelhuisje nog niet geschilderd is. Ze zijn ook zo druk bezig geweest van het weekend, dat daar helemaal geen tijd voor was. Opa spreekt met Rik af dat ze volgende week zaterdag het huisje gaan verven. “Niet vergeten om oude kleren aan te doen dan, he?” waarschuwt opa nog even, “Want van schilderen wordt je vies!”

Weer thuis gaan ze meteen langs de buurman om Rak op te halen. Papa en mama hebben voor de buurman ook een cake meegenomen. En dus moeten ze meteen weer een plak cake eten. Rik zit nog best vol van de vorige en dus vraagt hij nu om een dun plakje. Rak is dolblij dat ze weer thuis zijn en rent rondjes om hun heen, en wil niet meer stoppen. Als Rik zijn cake op heeft, neemt hij Rak maar even mee naar buiten om wat te rennen. Rak twijfelt nog even of hij mee zal gaan, maar uiteindelijk wint zijn uitbundigheid het van zijn verlangen om bij papa en mama te blijven. Samen rennen ze zo hard ze kunnen om de schuur van de buurman heen. Zo hard en met zo veel lawaai dat de geiten beginnen te mekkeren. Rak kan veel harder rennen en rent wel twee rondjes in de tijd dat Rik er een rent.

Als papa en mama weer naar huis gaan, gaan Rik en Rak ook mee. Binnen vertelt Rik alle verhalen aan Rak. Vooral het verhaal over de dierentuin vindt Rak heel interessant. En dus gaat Rik met al zijn knuffels dierentuintje spelen. Van zijn lego bouwt hij hokken waar hij zijn knuffeldieren dan in zet. Zijn hele kamer bouwt hij vol, want je moet er natuurlijk ook nog langs kunnen lopen. Op zijn bed is de leeuwenkooi. Hij heeft maar een leeuw en een tijger, maar die krijgen dan ook allebei een mooi groot hok. Op zijn bureau is de berenkuil, want van beren heeft hij er best veel. Direct naast de deur is de apenkooi. Hij heeft maar een aap, maar hij heeft ook nog een aapje van lego, dus die kan mooi de baby-aap zijn. Midden op de vloer staan zijn overige knuffels allemaal in hun eigen hok. Rik is de verzorger en Rak is de eerste klant. Als Rak een rondje gelopen heeft en weer wegloopt, wordt het stil in de dierentuin. Dan gaat Rik papa en mama maar halen om zijn dierentuin te komen bekijken. “Mama, wil je naar de dierentuin? Ik heb vandaag een speciale aanbieding dat ouders gratis mogen komen kijken.” Mama dacht heel even dat Rik weer naar de echte dierentuin wilde, maar snapt nu dat hij er zelf eentje heeft gemaakt. En dus is ze best nieuwsgierig hoe die er uit ziet. Ze loopt achter Rik aan naar zijn kamer. “Wilt u ook een rondleiding mevrouw? De beesten hebben net te eten gehad, dus ik heb wel even tijd, als u geinteresseerd bent.” “nou meneer, dat zou heel aardig zijn, want ik weet niet zoveel van dieren ziet u,” speelt mama het spelletje mee. “Nou dan hebben we hier de leeuwenkooi. Deze leeuw was zo wild, dat zelfs de vrouwtjesleeuwen niet in zijn buurt durfden te komen, dus nu zit hij alleen in een hok. Dat daar is Radja, de tijger. Tijgers wonen in het wild altijd alleen en dus heeft ook hij een eigen hok. En na de leeuwen en tijgers komen we nu bij de beren. Deze dierentuin is de trotse eigenaar van een heleboel soorten. Maar het zijn allemaal vriendelijke beesten, dus die kunnen allemaal gezellig samen in een hok.” En zo vertelt Rik iets over alle dieren in zijn dierentuin. Na de rondleiding bedankt mama hem en zegt dat ze ook papa eens langs zal sturen. Na een minuutje of vijf komt ook papa even kijken. Rik geeft ook hem de rondleiding. Papa vindt het net zo interessant als mama en heeft ook nog een hoop vragen. Rik beantwoordt ze allemaal zo goed mogelijk en als hij een antwoord niet weet, dan verzint hij het gewoon. Maar dan is de rondleiding over en zijn alle bezoekers geweest. Rik sluit de dierentuin. Het is al bijna etenstijd en dus gaat hij gauw opruimen, anders moet hij dat vanavond nog doen, en er komt een leuke film op tv die hij graag wil zien. Alle lego gaat weer terug in de kratten en alle knuffeldieren weer terug op hun plank. Dan gaat hij weer naar beneden. Mama vraagt nog hoe het nu met alle dieren is en Rik zegt dat de dierentuin nu gesloten is en dat alle dieren weer vrijgelaten zijn.

Mama zet het eten op tafel, “Vandaag eten we berenburgers, met konijnenvoer en hooipulp!” Rik moet wel lachen om de grap, want hij kan ook wel zien dat het gewoon hamburgers met sla en aardappelpuree is, “Daar wordt ik dan vast groot en sterk van, want alle beren zijn groot en sterk!” Papa speelt het spelletje ook mee, “Maar je had me krokodil belooft!” Hij klinkt echt teleurgesteld. “Tja,” zegt mama, “het krokodillenvlees was helaas al uitverkocht, dus toen moest ik het met beer doen. Sorry.”

Rik is toch wel blij dat hij weer thuis is, want bij opa en oma is het wel gezellig, maar ze maken nooit zulke rare grapjes als papa en mama soms doen.

26 februari – De postbode

Marieke belt op dat ze zich verveelt en of Rik bij haar wil komen spelen. Rik verveelt zich nog niet, maar het lijkt hem wel leuk om bij Marieke te spelen. En dus brengt mama hem even weg. Als hij bij Marieke aankomt, komt net de postbode langs, die heeft geen vakantie. Maar papa moest vandaag ook weer aan het werk, want zijn vakantie was ook al weer om. Dus blijkbaar is voorjaarsvakantie alleen voor kinderen die op school zitten en voor juffen en meesters natuurlijk, die hebben ook vrij. Marieke komt de deur voor hem opendoen en pakt meteen de post van de postbode aan. “Hoi Rik, leuk dat je er bent. Dag Rik zijn moeder, wilt u misschien nog een kopje koffie? Mama heeft net gezet en ik zag dat we ook lekkere koekjes in huis hadden, dus misschien krijgt u daar dan ook nog een van.” Mama moet lachen, “En dan hoop je er natuurlijk zelf ook een te krijgen, he?” Marieke knikt glunderend van ja. “Nou vooruit dan maar, hoe kan ik daar nou nee tegen zeggen?” mama loopt mee naar binnen. Als ze het verhaal aan Marieke's moeder vertelt moet die heel hard lachen, “Jij apenkop, zomaar mijn lekkere koeken aan anderen beloven he? Eigenlijk zou ik je er voor straf geen een moeten geven, maar vooruit dan maar weer.” Marieke's moeder schenkt koffie en limonade in en deelt dan koekjes uit. De koekjes zijn inderdaad heel erg lekker. “Nou Marieke, ik weet wel waarom jij zo'n koekje wilde hebben, ze zijn inderdaad heel erg lekker!” geeft mama Marieke gelijk. Marieke's moeder biedt meteen een tweede koekje aan. “Nee dank je, ik moet wel een beetje op mijn lijn denken, dus een tweede koekje is dan echt geen goed idee. Bovendien moet ik nodig thuis weer aan het werk, we zijn net een weekendje weg geweest en het is altijd weer ongelofelijk hoe stoffig zo'n leeg huis kan worden. Maar nog bedankt voor de koffie en de koek.” Rik zegt zijn moeder gedag als ze de deur uit gaat en gaat dan met Marieke naar haar kamer. “Hee, jij hebt ook een plank met knuffels, net als ik!” roept hij bij het zien van haar kamer. Naast knuffelberen heeft Marieke ook een heleboel poppen die op en om een poppenhuis staan. De poppen vindt Rik niet zo interessant, maar het poppenhuis is wel erg mooi. Alle kamertjes zijn tot op de kleinste details nagemaakt. Het is net een echt huis. Zo'n mooi huis kan hij van zijn lego niet bouwen. “Wat zullen we gaan doen?” vraagt Marieke. “Nou, ehm, we kunnen tekenen, of met lego spelen, of een puzzel maken, of buiten spelen, of ehm...” Meer weet Rik zo snel ook even niet. “Hmm, tekenen kan ik niet zo goed, lego heb ik niet, en al mijn puzzels heb ik al honderd keer gemaakt. En als we gaan buitenspelen, dan moeten we nog steeds bedenken wat we gaan doen,” moppert Marieke. “Oh, maar we kunnen postbode spelen!” zegt Rik die zich opeens de postbode weer herinnert, “Dan gaan we eerst brieven schrijven, en dan gaan we die daarna rondbrengen!” “Maar wie moeten we dan allemaal een brief schrijven? Ik weet helemaal niks!” Marieke is nog niet overtuigd. “Hoe ver mogen we hiervandaan als we buiten spelen? Mogen we ook tot waar Bram woont? Want dan kunnen we Bram een brief sturen. En mijn opa en oma wonen hier ook niet zo heel erg ver vandaan,” Rik denkt na over wie hij nog meer kent hier in de buurt. “Nou...,” Marieke twijfelt, “Ik denk dat als ik het vraag dat we misschien wel tot aan Bram mogen lopen, maar dan moeten mijn ouders wel weten waar we zijn.” “Oh! Maar dan moeten we een echte routeplanning maken! Echte postbodes hebben natuurlijk ook een vaste ronde!.” Rik wordt helemaal enthousiast van zijn idee. Marieke raakt langzaam ook overtuigd, “Maar dan moeten we ook een brief brengen aan mijn oma. Dat zijn dan al drie brieven. Maar hoe gaan we die brieven maken? Ik kan nog niet schrijven!” “Nou, dat lijkt me logisch, we tekenen toch gewoon wat we willen zeggen!” Rik wil Bram een brief tekenen over wat hij allemaal heeft gedaan in zijn vakantie. En opa en oma een bedankbrief voor het leuke weekend. Marieke weet niet zo goed wat ze voor Bram zou moeten tekenen en gaat dus maar nadenken over wat ze voor oma moet tekenen. Ze pakt alvast de stiften en briefpapier. “Wouw, jij hebt zelfs echt briefpapier! Maar ik denk dat Bram wel raar kijkt als hij een roze brief krijgt in een roze envelop!” Rik vindt het idee wel grappig. Hij tekent een mannetje die een brief schrijft. Het papiertje maakt hij uiteraard roze. Dan tekent hij een dierentuin en een museum, en ook nog een vogelhuis. Inmiddels is Marieke ook aan het tekenen geslagen. Ze tekent een mooie bos bloemen, “Want oma vindt bloemen altijd heel mooi!” “Oh, hee, dat is een goed idee. Ik ga ook bloemen tekenen, want mama geeft ook vaak een bloemetje als ze iemand wil bedanken!” En zo begint hij aan zijn tweede tekening. Als alledrie de tekeningen klaar zijn zetten ze hun naam er onder, zodat de ontvanger weet van wie de brief komt. Dan gaan ze naar beneden om Marieke haar moeder te vragen of ze de drie brieven mogen bezorgen. “Oei, dat is wel ver weg he. Eigenlijk vind ik dat een beetje te ver. Maar het is natuurlijk wel een leuk idee, en ik weet zeker dat oma het heel erg leuk zou vinden om een brief te ontvangen. Weet je wat, vinden jullie het goed als ik dan meeloop?” Rik en Marieke kijken elkaar even aan en knikken dan dat dat wel goed is, want anders mogen ze de brieven niet bezorgen. En dus lopen ze met zijn drieen de deur uit. Bram zijn brief wordt het eerste bezorgd, want die woont het dichtste bij. Als hij hen aan ziet komen en de deur opendoet, zegt Rik: “alstublieft meneer, uw post!” En dan lopen ze schaterend van het lachen weer weg. Marieke haar oma is de volgende, maar die doet de deur niet open, misschien is ze wel niet thuis. Maar dat is het voordeel van de post, die kun je gewoon door de brievenbus doen. Als laatste gaan ze langs opa en oma. Als ze klaar zijn, krijgen ze nog een kopje warme chocolademelk van Marieke haar moeder om weer warm te worden, want het was best fris buiten. En dan moet Rik weer naar huis.


27 februari – de hut

Vandaag komt Bram spelen. Hij belde gisteravond op om te zeggen dat hij nog een hele berg hout en spijkers had, maar geen plaats om zijn hut te bouwen. En of dat bij Rik in de tuin wel zou mogen. Rik vroeg het meteen aan mama en die vond het goed, zolang ze maar niet in de bomen timmerden en de plantjes heel zouden laten. Dat belooft Rik en dus wordt Bram om elf uur gebracht met zijn lading hout en spijkers. Hij heeft ook een hamer meegenomen. “Ik hoop dat je zelf ook een hamer hebt, want wij hadden er thuis maar eentje.” Dat had Rik zelf ook al bedacht en dus heeft hij papa gisteravond de hamer uit de schuur laten halen. Bram zijn vader moest werken, maar ging een keertje op de fiets zodat Bram zijn moeder de auto kon lenen. “Mijn vader heeft gisteren wel geholpen met inladen, maar het uitladen moeten we zelf doen. Wel voorzichtig hoor, want krassen op de auto kosten veel geld!” waarschuwt hij Rik. Bram zijn moeder gaat intussen koffie drinken binnen bij mama. Mama vraagt zich nog even af of dat wel goed gaat, die twee jongens met al dat hout, maar Bram zijn moeder stelt haar gerust dat het een leasebak is. Rik weet niet wat dat is, maar hij belooft Bram dat hij voorzichtig zal zijn. Samen tillen ze plank voor plank eerst al het hout uit de auto. Daarna tillen ze het stapeltje voor stapeltje naar de tuin. Mama heeft een mooie hoek aangewezen waar ze op de tegels hun hut mogen bouwen. Bram wil meteen gaan timmeren, maar Rik heeft van opa geleerd dat je eerst een plan moet hebben. “Ja maar, Bram, weet je dan al hoe het er straks uit gaat zien? We willen niet dat we te weinig hout hebben of dat de hut straks instort, of dat er geen deur inzit!” Daar moet Bram hem wel gelijk in geven en samen bedenken ze een plannetje. Rik heeft even gauw papier en een potlood van binnen gehaald en ze tekenen een schetsje van hoe de hut er uit moet komen te zien. “Aan de voorkant moet een deur komen, en aan de zijkant een raam,” zegt Bram. “Ja,” zegt Rik, “en als we nou steeds twee plankjes dwars op de andere slaan, dan kunnen we eerst een muur timmeren en die dan rechtop zetten om het dak er op te timmeren.” Dat vindt Bram wel een goed idee, “Dan wil ik de muur met de deur maken!” “Okee, dan maak ik de muur met het raam,” antwoordt Rik. Zo gaan ze allebei druk aan het timmeren, zonder elkaar in de weg te zitten. Het zijn allemaal mooie planken, die Bram zijn vader al op een handige lengte heeft gezaagd. En gelukkig voor de jongens zitten er ook wat kortere stukjes tussen, anders hadden ze naast de deur en het raam een probleem. Het is een herrie van jewelste in de tuin, maar de huiskamer is aan de andere kant van het huis, dus mama heeft er niet zo'n last van. De jongens zijn zo druk bezig dat ze het niet eens merken als Bram zijn moeder weg gaat. De muren worden niet echt supermooi, en er zitten ook behoorlijke kieren tussen de planken, maar ze beginnen wel echt op muren te lijken. Net als ze de eerste twee muren af hebben, vraagt mama: “Willen de stoere bouwers ook nog een broodje? Ik heb leverworst, kaas en hagelslag.” Snel leggen de jongens hun hamers neer en rennen naar binnen. “Niet vergeten je handen te wassen, he?” roept mama vanuit de eetkamer. Rik zet zijn krukje voor het aanrecht en pakt de zeep. Even flink schrobben en zijn handen zijn weer schoon. Terwijl Bram zijn handen wast, pakt Rik de handdoek. Als Bram zijn handen schoon heeft, geeft Rik hem de handdoek. Snel rennen ze naar binnen, want ze hebben enorme honger. Als ze allebei drie broodjes ophebben, snijdt mama ook nog maar een plak ontbijtkoek af, want ze hebben eigenlijk nog steeds honger. De plakken zijn lekker dik, met niet te veel boter. Als de koek op is, gaan ze weer snel aan het werk, want er moet nog veel gebeuren. Snel beginnen ze allebei aan de volgende muur. Deze zijn makkelijker, want er hoeven geen ramen of deuren in. Al snel zijn de muren klaar. Dan moeten ze samen het dak maken. Rik timmert de planken aan de ene dwarsbalk vast en Bram aan de andere. Maar dan komt het moeilijkere karwei om het dak op de muren vast te timmeren. Nu kunnen ze niet meer allebei tegelijk timmeren, want een van de twee moet dak vasthouden, anders stort het in. Rik houdt als eerste het dak vast terwijl Bram er een spijker in probeert te slaan. Dat valt nog niet mee, want hij moet ook nog de muur zelf overeind houden. Maar uiteindelijk zit de spijker er in. Hij is wel een beetje krom, maar hij zit er toch ver genoeg in. Snel slaat hij er nog een tweede spijker in, die al iets makkelijker gaat. Dan mag Rik de andere muur vastmaken, terwijl Bram het dak vasthoudt. Ook hij slaat er twee spijkers in, en dan blijven de muren met het dak er op zelf staan. Bram gaat meteen de derde muur vastzetten, terwijl Rik nog wat meer spijkers in zijn muur slaat, zodat hij niet meer uit elkaar valt. Daarna gaat ook hij een nieuwe muur vastzetten. Na een flink tijdje timmeren zit het dak goed vast aan de muren, maar de hut is nog steeds een beetje wankel. “Ik denk dat we ook de muren aan elkaar vast moeten timmeren,” zegt Rik, “net als met een legohuis. Die zijn ook steviger als de muren aan elkaar vast zitten.” Dat is nog niet zo makkelijk gedaan, want de randen van de muren zijn niet echt mooi recht. Maar na heel wat kromme spijkers is het toch gelukt om de muren enigszins aan elkaar vast te zetten. En dan is de hut echt af. De twee jongens kunnen er precies samen in kruipen en op hun hurken zitten. “Kijk eens mama!” roept Rik, “De hut is af!”Mama komt snel buiten kijken, “wouw, je kunt er echt in, en hij heeft ook nog een raam. Jongens, ik ben trots op jullie. Jullie lijken wel volleerd timmermannen! Zal ik dan maar een kopje warme chocolademelk maken voor jullie? Rik als jij dan die twee kleine stoeltjes van je kamer haalt, dan kunnen jullie daar op zitten om te drinken.” Dat is weer een goed idee van mama en samen met Bram gaat hij de stoeltjes halen. Ze hebben nog net tijd om de chocolademelk op te drinken en het koekje dat mama erbij gelegd had op te eten, voordat Bram zijn moeder komt. Natuurlijk moet ook die even zien hoe de hut geworden is. Maar dan moet Bram weer naar huis. “Kom je snel weer spelen? Want samen is veel gezelliger in onze hut!”

28 februari – sneeuwklokjes

Het is lekker weer en het begint al weer wat warmer te worden. Rik loopt buiten met Rak. Als hij langs de tuin van de buurman loopt, ziet hij opeens een wit bloemetje uit de grond piepen. “Sneeuwklokjes!” roept hij enthousiast. Rak is ook blij. Sneeuwklokjes betekenen dat de lente weer op komst is. En Rak houdt niet zo van de winter. Samen rennen ze rond op zoek naar meer sneeuwklokjes. Achter de boom in de buurman zijn tuin, lekker beschut voor de wind staat een heel kluitje van de kleine bloemetjes. De tuin van de buurman is niet zo groot, dus gaat Rik snel op andere plekken op zoek, waar de bloemetjes eerder gebloeid hebben. Bij mama in de tuin stonden er ook altijd een paar, maar die laten zich helaas nog niet zien. Er zijn wel al kleine groene puntjes boven de grond, maar Rik denkt dat het nog wel even duurt voordat die bloemetjes krijgen. In de achtertuin staan er ook altijd een paar, en ja hoor, die bloeien wel al. Rik vraagt zich af hoe hij die gisteren heeft kunnen missen. Snel rent hij naar de sloot verderop, want daar stonden er ook altijd een paar. Een voor een rent hij alle plekken af. Op de plekken die de meeste zon krijgen en de minste wind bloeien de sneeuwklokjes al volop. Als hij ze allemaal gevonden heeft, rent hij naar huis om mama te vertellen dat de sneeuwklokjes weer bloeien.

“Mama, mama, de sneeuwklokjes bloeien weer! De lente komt er aan!” “Is dat zo? Nou dan wordt het tijd dat we het huis versieren om de lente welkom te heten! En laat ik nou een leuke manier weten om sneeuwklokjes te knutselen. Als jij je vouwblaadjes pakt, dan zoek ik de lijm, en dan gaan we samen knutselen.” Dat laat Rik zich geen twee keer zeggen en hij rent naar boven. Mama heeft niet zo heel erg vaak tijd om te knutselen, maar als ze dan wel tijd heeft, dan is het altijd heel erg gezellig. Al snel heeft hij zijn vouwblaadjes gevonden en loopt weer naar beneden. Mama heeft intussen de lijm gevonden en een stel scharen. Ze is net bezig om het knutselkleed op tafel te leggen.

Als alles klaarligt, legt mama uit hoe het werkt. “Kijk, je pakt een mooi blaadje voor de achtergrond, bijvoorbeeld een blauwe. Dan knip je groene steeltjes en blaadjes uit en die plak je op de achtergrond. Dan knip je drie vliegertjes uit een wit blaadje en die plak je over elkaar heen. Zo, zie je wel? Nu is het een sneeuwklokje.” Rik vindt dat het inderdaad een mooi sneeuwklokje is. “Maar als je de achtergrond een bruine onderkant geeft, dan staan de sneeuwklokjes op de grond!” Hij pakt een bruin blaadje en knipt er een strook af. Die plakt hij op de blauwe ondergrond, netjes aan de onderkant. Dan plakt hij meer groene steeltjes op, gevolgd door de blaadjes. En dan de witte bloemetjes. Als het hele blaadje vol met sneeuwklokjes is, knipt hij van een geel blaadje ook nog een zonnetje. Mama's blaadje is ook vol, en met een klein beetje lijm plakken ze de twee blaadjes aan elkaar. Met een beetje plakband hangt mama ze achter het voorraam, zodat iedereen buiten het goed kan zien. Rik vindt de blauwe achterkanten wel wat kaal en dus gaat hij nog een blaadje met sneeuwklokjes maken. “Maak je er nog meer?” vraagt mama verbaasd. “Ja,” zegt Rik, Voor aan de binnenkant, want zo'n blauw velletje staat zo kaal.”

Na het knutselen moet mama nog boodschappen doen. Rik verveelt zich een beetje en dus gaan Rak en hij mee. In de supermarkt staan op de bloemenafdeling ook sneeuwklokjes. Drie klokjes samen in een lief potje. Mama vindt ze wel mooi en koopt twee potjes voor op de vensterbank in de eetkamer. “mama, mag ik er ook een voor in de hut?” vraagt Rik. “Maar in de hut moet je ze wel water geven hoor Rik, anders gaan ze dood. In de tuin kunnen ze namelijk water uit de grond halen, maar als ze in een potje staan kan dat niet. Maar voor deze keer mag het wel.” “Hoera,” roept Rik, “dan ga ik straks meteen een vensterbank timmeren voor het raam, zodat hij daar op kan staan!” mama zet de sneeuwklokjes in het winkelwagentje. Als de boodschappen gedaan zijn, pakt Rik meteen een van de laatste planken die overgebleven waren. Mama helpt hem en pakt even gauw de hamer, en een paar spijkers. Rik spijkert de plank goed vast, want hij moet er niet afvallen met het plantje er op natuurlijk. Als de plank goed vast zit, zet hij het plantje er op. Het ziet er zo heel erg gezellig uit, net een echt huis.

Rak heeft wel zin om te rennen, en dus gaat Rik weer met hem naar buiten. De buurman staat in zijn tuin en dus gaat Rik even naar hem toe. “Hallo buurman, staat u naar uw sneeuwklokjes te kijken? Ik zag ze vanmorgen al. Ik heb alle sneeuwklokjes hier in de buurt gevonden. En toen heb ik ze met mama ook nog geknutseld.” “Hallo Rik, ja ik was even komen kijken of ze al bloeiden. Ik had gisteren de plantjes al gezien, maar vandaag bloeien ze ook echt. Wat zijn ze mooi he? Toen mijn vrouw nog leefde stond het hele huis er altijd mee vol. Ze was echt dol op die bloemetjes. Dus nu zorg ik er altijd voor dat de tuin er vol mee staat. Nog een paar weken denk ik, dan is de hele tuin weer wit.” “Mama heeft ook nog sneeuwklokjes voor in huis gekocht, en ik heb er ook een in mijn hut staan. Ik heb er net een vensterbank voor getimmerd.” “Heb jij een hut getimmerd? Die wil ik wel eens zien dan. Dat deden mijn jongens vroeger ook altijd.” Samen met de buurman loopt Rik naar zijn tuin, om de hut te laten zien. De buurman vindt de hut onwijs mooi, “zo mooi maakten mijn jongens het nooit, die hut zit goed in elkaar zeg! Daar ga je vast nog lang plezier van hebben! Zo ik ga maar weer eens, want de geiten moeten weer gevoerd worden.” Rik wil net aanbieden om te helpen als mama roept dat hij binnen moet komen voor het eten. “Dag buurman!” roept hij als hij naar binnen rent.